Het is ruim een jaar geleden sinds de publicatie van de vorige aflevering in deze reeks. Tijd voor een update, waarbij we pogen de laatste nog ontbrekende inwoners van Klerken in 1686 te identificeren. Bij het einde van deel 15 hadden we 294 volwassen inwoners geïdentificeerd. Deze hadden zeker 243 kinderen in leven (= met bekende verdere afstamming of vermeldingen), misschien wel 548 (inbegrepen de kinderen zonder verder bekende vermeldingen). Dit bracht het geraamde aantal inwoners op circa 690 (minstens 537, maximaal 842). Maar de zoektocht naar overblijvende inwoners was nog niet afgerond.
De jaren 1640-1710 waren op zijn zachtst gezegd zeer woelige jaren. Een kort, maar onvolledig overzicht: het begon met Wapenschouwijnghen der weerbare mannen in 1640 en 1645, en meer oorlog en een pestepidemie omtrent 1647-49; Franse bezetting omtrent 1657-58, de laatste pestepidemie in de streek omtrent 1665, en opnieuw Franse bezettingstroepen van 1673 tot 1679, en nogmaals in 1683, en nogmaals eind jaren 1680, en opnieuw in de jaren 1690 en later. Daar bovenop volgde een hongersnood wegens geen zomers in 1704-6, gecombineerd met nogmaals een bezetting. Veel mensen sloegen telkens weer op de vlucht en keerden later al dan niet terug terug naar huis of werkplaats. Anderen gingen (tijdelijk) ergens anders werken.[1]
Het vinden van nog ontbrekende families in die periode is niet eenvoudig. We zijn daarom meer intensief Wezerijakten, en Armendis-, Kerk- en Parochierekeningen gaan lezen, met bijzondere aandacht voor de periode vóór 1686. De eerste archiefdocumenten bevatten dikwijls gezinsgegevens en -verbanden. De rekeningen bevatten ook extra namenlijsten van pachters en andere ontvangers en betalers van lasten. Deze informatie kan gecombineerd worden met de al gekende genealogische data, en met informatie uit parochieregisters van de 17de eeuw. Voor Klerken hebben we pas vanaf 1653 parochieregisters ter beschikking (vanaf 1675 voor begrafenissen).
De meeste losse eindjes in de doopakten van Klerken voor deze periode zitten in de eerste jaren, met name in de periode 1653-1670. Daar vinden we kleinere of grotere gezinnen die kort erna helemaal niet meer in Klerken of in naburige parochies terug te vinden zijn. Occasioneel vinden we ook gezinnen die in de periode rond 1686 wel degelijk in Klerken woonden, maar daarna weer verdwijnen zonder verder spoor. Vervelend is ook dat de registraties in de jaren rond 1675 erg fragmentair zijn; hier en daar ontbreken ook andere korte periodes.
Voor de naburige parochies ligt dat anders. Voor Esen, Woumen en Zarren beginnen de beschikbare parochieregisters veel vroeger, vaak al begin 17de eeuw, voor Woumen zelfs net ervoor. Maar ook daar zitten grote hiaten in de parochieregisters, en voor Esen zijn enkel nog de overzichtstafels (ook klappers genoemd) beschikbaar, gelukkig vaak met extra info over ouders en verwanten.
Dit alles maakt een reconstructie complex en af en toe ook speculatief, maar niet onmogelijk. Een jaar combinatiewerk levert volgende extra families die in Klerken woonden in 1686, of in de periode er net voor of er net achter. Wellicht zijn hiermee nog niet alle inwoners van 1686 geïdentificeerd, maar veel zullen er niet meer ontbreken. Deze voorstudie is hiermee klaar voor publicatie in een geconsolideerde versie, inbegrepen een volledige index en lijst met namen en data.
De familie Du Moulein/Molein/Mouleyn
In 1659 huwt Adrianus Molein in Klerken met Maria Verstraete Va. Paulus Vangloorie/Glorie. Het is onduidelijk of er nog kinderen van de weduwe Verstraete waren in 1659; er was een tweeling, geboren in 1655, en nog een dochtertje, in 1657, maar van geen van deze drie kinderen is verder iets bekend. Maria Verstraete moet kort na dit huwelijk zijn overleden, want in 1661 huwt Adrianus Molein opnieuw in Klerken, nu met Maria Magdalena Goemaere, Va. Petrus Foutry, met wie ze eerder in 1653 in Klerken was gehuwd, en intussen ook al vier kinderen had. Het oudste kind van deze vier was zeker overleden, want er was een naamgenoot enkele jaren later. Van de andere drie kinderen is er later geen spoor meer.
Maar blijkbaar had Adrianus Molein voor deze twee huwelijken nog een eerder huwelijk, waaruit een zoon Adrianus Molein (de jonge dus) was geboren, en wellicht ook een dochter Maria Magdalena Du Molein. Deze laatste staat op het allereerste blad in de doopregisters van Klerken (de originele, eerste bladzijde is wel verloren, maar de datum, namen en ouders staan alsnog in de klappers).
We vinden de zoon Adrianus Molein (de jonge) in 1669 in Alveringem bij de geboorte van een eerste dochtertje Maria Magdalena Molein (zoals zijn zuster), met als moeder Jacoba de Roo, en als doopheffers Petrus De Roo, uit Woumen, en Magdalena Goemars uit Klerken, de derde en toenmalige echtgenote van zijn vader Adrianus Dumolin. Adrianus Molein (de jonge) heeft bij Jacoba de Roo later nog vier kinderen in Klerken, geboren tussen 1674 en 1686. Er is ook nog een zoon Joannes du Molein met onbekende geboorteplaats, wellicht ook geboren in Klerken (doopakten van september 1672 tot eind 1673 ontbreken volledig).
In 1686 woont dit gezin van Adrianus Molein (de jonge) en Jacoba de Roo met drie, misschien wel zes kinderen in leven. Exacte woonplaats is niet bekend, maar drie kinderen huwen later met adolescenten uit de buurt van het Bos van Houthulst (zie lager). In 1687 overlijdt Jacoba de Roo. Ze wordt met een dienst van drie lezingen begraven. Kort erop, in 1689 verlooft Adrianus Molleyn (de jonge) zich met Adriana de Roy, weduwe van Judocus La Va. Of Adriana de Roy verwant was aan zijn eerste echtgenote Jacoba de Roo is onduidelijk, maar de gelijk lijkende familienaam wijst wel in die richting.
Judocus La Va had eerder in Woumen zeven kinderen bij drie opeenvolgende echtgenotes; de jongste bij Adriana de Roy. Zijn oudste zoon, Pantaleon La Va was intussen in 1685 in Klerken gehuwd met Jacoba Dewulf, een dochter van Mattheus Dewulf die eerder aan bod kwam (zie aflevering 8), en in de hoeve de Quae Scheure woonde (perceel N°125), dicht bij het pachtland op perceel N°1012 waar mijn voorouders Jan en Pieter de Brune toen woonden, en dicht bij het latere Jonkershove (toen deel van Woumen).


Het huwelijk van Adrianus Molleyn (de jonge) met Adriana de Roy volgt pas drie jaar later, in 1692. De pastoor neemt nota van deze uitzonderlijke tussentijd tussen sponsalia en kerkelijk huwelijk, maar er zijn geen verdere bezwaren en het huwelijk gaat door. Er volgen voor zover bekend, geen kinderen meer.

Adrianus Molleyn (de jonge) overleed in 1725; of was dat zijn gelijknamige zoon, en overleed hij pas in 1729?
Kinderen van Adrianus Molleyn (de jonge) met (1) Jacoba de Roo,
In 1693 huwde Maria Magdalena Molein de oudste dochter met mijn stam-vader Petrus de Brune. Deze woonde dus om de hoek, hooguit enkele honderden meter verder op perceel N°1012 (zie ook aflevering 3). Petrus de Brune was in 1691 weduwnaar geworden; in dat jaar overleed zijn eerste echtgenote Petronella Verlie, mijn stam-moeder. Er volgden twee kinderen uit zijn huwelijk met Maria Magdalena Molein. Amper vier maanden na het overlijden van mijn stam-vader Petrus de Brune in 1706, huwde Maria Magdalena Molein (2) met brouwer Petrus Demuelenaere uit Rozebeke, weduwnaar van Jacoba Syx. Er volgde nog een dochter, postuum geboren, d.i. na het overlijden van de vader Petrus Demuelenaere. Van alle drie kinderen is verdere afstamming bekend. Maria Magdalena Molein overleed in 1742. Zoals eerder beschreven woonde het gezin van Petrus Demuelenaere en Jacoba Syx in 1686 in Brouwerij de Blauerie op perceel N°441 gelegen ten oosten van Klerken centrum, ten noorden van Ter Laene (Ter Smisse) oost aan de toenmalige Slijpstraete (zie aflevering 8).



Deze Petrus Demuelenaere was als brouwer een man met aanzien, die vaak gevraagd werd als doopheffer of huwelijksgetuige. Als brouwer had hij ook een of meer karren met paarden, die naast de brouwerij ook ten dienste van het gouvernement en zelfs van “zijne Majesteit” werden verhuurd. Dit was bvb. het geval bij het zoveelste Beleg van Oudenaarde kort voor 1680. Hij ontving hiervoor een riante vergoeding van de Staat, die nog bijgepast werd uit de toenmalige parochierekening. Hij verzorgde ook het vervoer van de vrouw van de Gouverneur van uit Diksmuide. Zijn bedrijf leverde in tijden van bezetting of oorlog ook bier aan partijen soldaten die in Klerken waren gestationeerd. Zelf maakte hij ook diverse “voiaegen” naar Brugge, Ieper enz. om parochiezaken te regelen. Ook voor al deze diensten werd hij correct betaald via de parochierekening; dit kon makkelijk oplopen tot enkele honderden ponden parisis. Dat was rond 1680. Zijn huwelijk in 1706 met Maria Magdalena Molein, de weduwe van mijn stam-vader Petrus de Brune sluit hierbij aan. Deze tak van de Debruyne omvat later vooral landbouwfamilies; maar zoals de meeste families in Klerken van toen hadden ze ook wel boerenknechten, bezemmakers en boskanters in de afstamming, o.a. in de tak waar ik van afstam.
Haar broer Joannes de Molein huwde in 1693 met Jacoba Romein (zie ook afleveringen 6 en 9). Er volgden zeven kinderen waarvan zeker vijf huwden, en vier ruime afstamming hebben. In 1686 woonde de familie Romein/Lowys op perceel N°958, ook in de buurt van het Bos van Houthulst, dichter bij wat later het Hoogkwartier en nog later Houthulst centrum wordt (zie aflevering 9). Deze familie had hoofdzakelijk boskanters en bezemmakers bij de latere afstamming. Joannes du Molein overlijdt in 1739.
Broer Adrianus Moleyn (de derde, de jongste) overleed in 1729, of was dat zijn gelijknamige vader, en overleed hij al in 1725? Van twee andere zusters Petronilla Mollein en Juliana Molleyn geboren in 1680 en 1683 is geen verdere afstamming bekend.
De jongste zuster was Joanna Molin die in 1686 was geboren. Zij huwde in 1710 met Jacobus Bogaert bijgenaamd Ramay, een buiten het huwelijk geboren zoon van Jacobus Bogaert en Adriana Romein, een zuster van haar schoonzuster (zie ook lager). We mogen ook van dit paar veronderstellen dat ze dicht in de buurt van het Bos van Houthulst woonden. Er volgden acht kinderen, waarvan zeker een jong overleed. Alleen van het jongste kind, Petrus Jacobus Bogaert is een ruime afstamming bekend in Kerken, Zarren en Leke.
Georgina Carthon
In 1661 was Georgina Cartens moeder van een buiten het huwelijk geboren dochtertje Petronella. Doopheffers werden Petrus Meussuene en zijn dochter Petronilla Meussuene, wat laat uitschijnen dat Georgina Carton wellicht op diens hofstede aan de slag was. Van het kind is verder niks bekend, maar Georgina Carton was het jaar ervoor, in 1660 ook samen met Petrus Meussuene doopheffer bij de geboorte van een dochter van Eligius Vermeesch. We vinden haar tenslotte nog in 1694 terug in de overlijdensakten. Ze overleed als weduwe van Joannes Braecke, die zelf het jaar ervoor overleed. Eerder was Joannes Braecke gehuwd met Jacoba Croes met wie hij in 1663 een dochter had, Georgia Braecke, die zelf in 1687 overleed. Ze werden allen na een dienst met drie lezingen begraven.
We mogen met redelijke zekerheid stellen dat Joannes Braecke, Georgina Carton en Georgia Braecke in 1686 op een van de hofsteden woonden, waar ze ook aan de slag waren als knecht of meid.
Families vanden Berghe, van Haverbeke en Van Turnhout
Joannes vanden Berghe was omtrent 1658 gehuwd met Joanna Soens. Van 1659 tot 1672 kregen ze in Vladslo vijf kinderen, met als laatste een tweeling. Parochieregisters van Vladslo zijn slechts beperkt beschikbaar voor de 17de eeuw, maar er zijn wel klappers van dopen met ouders erbij vermeld. In 1683 huwt deze Joannes vanden Berghe “uit Vladslo” in Klerken met Anna van Hove uit Klerken, een zuster van Jacobus van Hove die gehuwd was met Catharina Coppez (zie aflevering 5). Of ze in 1686 in Klerken woonden is mogelijk, maar weinig waarschijnlijk. Het paar gaat kort na of enige tijd na het huwelijk in Vladslo wonen, waar zeker nog twee van de vijf eerste kinderen woonden. Daar volgen nog drie kinderen van 1688 tot 1693.
In 1694 was het gezin van Joannes vanden Berghe wel terug in Klerken, want toen overleed hij er. Hij werd met een dienst van drie lezingen begraven. Vanaf 1694 woont Joanna van Hove al dan niet samen met eigen en stiefkinderen in Klerken. Wellicht zijn ze daar terug beland na (financiële) problemen. In zo’n geval was de Dis van de geboorteparochie financieel verantwoordelijk. We mogen aannemen dat ze bij of op een van de hofsteden aan de slag waren.
Judocus van Turnhout was in 1661 buiten het huwelijk geboren als zoon van Judocus en Judoca Vandaele; de ouders huwden alsnog enkele maanden later en kregen nog vier kinderen, allen geboren in Torhout. In voorjaar 1686 vinden we in Klerken het huwelijk van Judocus van Tournaut, junior dus, met Maria Wallyns. Blijkbaar was hij al enige tijd in Klerken of een parochie de buurt aan de slag. Maria Wallyn was daar wellicht ook als meid aan het werk. Ze is hoogstwaarschijnlijk de Maria Wallyn afkomstig uit Esen, die in 1666 was geboren als dochter van Clemens Wallyn en diens tweede echtgenote Adriana Staesen.
Het paar woont in 1686 ook effectief in Klerken, want in de lente van 1687 wordt er hun zoon Judocus Van Tournaut geboren. Getuige bij hun huwelijk en ook dooppeter van hun zoon is Joannes van Haverbeke, blijkbaar ook iemand die in 1686 aan de slag is in Klerken. Deze komt zo meteen aan bod.
Kort na de geboorte van Judocus Van Tournaut (zoon van Judocus junior), slaat het noodlot toe, en eind september 1687 overlijdt Maria Wallyn. Ze wordt met een dienst van zes lezingen begraven. Er waren dus voldoende middelen beschikbaar om deze duurdere begrafenis te betalen. Wat van Judocus Van Turnhout en zijn zoontje Judocus terechtkwam is onbekend. Misschien trok hij terug naar Torhout op zoek naar een nieuwe bruid; in Klerken verder geen spoor.
De getuige en dooppeter Joannes van Haverbeke vinden we tien jaar later wel nog in Klerken. Hij huwt dan, als weduwnaar van Maria Denecker, met Petronella vanden Berghe, de tweede echtgenote van landbouwer Rogerius van Severen die eerder aan bod kwam (zie afleveringen 1, 9 en 11). Enkele dagen voor zijn huwelijk met Petronella vanden Berghe in februari 1697, werd een Joannes van Haverbeke ook vader van een dochtertje bij Anna van Hove, de stiefmoeder van Petronella vanden Berghe. Anna van Hove was in 1694 weduwe geworden, en huwde pas opnieuw in 1703 met Walrandus Pieters (maar dit kwam al eerder aan bod in aflevering 11).


Rechts de Sponsalia op 29/2/1697 (sic; zal wel 29/1/1697 geweest zijn), en huwelijksakte op 9/2/1697, van Joannes van Haverbeke X Petronella vanden Berghe Va. Rogerius van Severen
We bespraken hier net voor een Joannes van Haverbeke die vader werd buiten het huwelijk. Deze was wellicht nog een neef van de eerste die een paar dagen later met iemand anders huwde. Martinus van Haverbeke was omtrent 1680 samen met Cornelia de Wulf in Klerken. Midden 1680 hadden ze alsnog hun zoon Joannes van Haverbeke laten inschrijven in het doopregister van de Sint-Laurentiuskerk in Klerken. Deze zoon was zes maanden ervoor in Zeeland geboren, wellicht toen ze samen op de vlucht waren. Dit paar was in 1680 (nog) niet gehuwd. Cornelia Dewulf had eerder, in 1676, ook al een natuurlijk kind gekregen bij Cornelius Demey. Ze was de dochter van Matheus Dewulf de oude en Maria Hamers, die in 1686 in de Quae Scheure woonden gelegen op perceel N°125 (zie hoger, en ook aflevering 1). Of zij in 1686 nog in Klerken woonden is onduidelijk; het kan, maar er zijn geen verdere aanwijzingen over hen. Maar het lijkt erop dat hun zoon Joannes van Haverbeke overleefde, en in 1697 de vader is van het natuurlijk kind geboren bij Anna van Hove, de weduwe van Joannes vanden Berghe (zie hierboven). In de doopakte is er trouwens ook geen verdere naar de oudere weduwnaar Joannes van Haverbeke die enkele dagen na die geboorte huwt met Petronella vanden Berghe. Voor de moeder van het kind is wel expliciet vermeld dat ze weduwe was.
Ingewikkeld verhaal, inderdaad, met interessante details, maar wel correct beschreven in de parochieregisters. En dit en het voorgaande verhaal speelden allemaal in of nabij de Quae Scheure op perceel N°125, met een link naar brouwer Rogerius van Severen, op perceel N°713, en met een link naar de de Brune op perceel N°1012.
Albertus Laurens
Omtrent 1650 was Judocus Laurens gehuwd met Maria Verschinghel. Het paar kreeg drie zonen in Klerken geboren tussen 1653 en 1658: Judocus, Martinus en Albertus Laurens. Omtrent 1660 vinden we Judocus Laurens terug in Woumen als doopheffer en huwelijksgetuige. Hij overlijdt er in 1664. In 1673 huwt Maria Verschinghel in Woumen met Petrus Warmoes, een telg van een familie uit Klerken sinds zeker begin 16de eeuw; maar dat is een ander verhaal.
Petrus Warmoes was waarschijnlijk weduwnaar van Maria Dynghels die eind 1670 overleden was. Hij had wellicht nog vijf kinderen uit dat eerste huwelijk. Voor zover bekend zijn er geen kinderen van het tweede huwelijk met Maria Verschinghel. Of het gezin in 1678 in Klerken woonde is onduidelijk; maar Maria Verschinghel overleed er dat jaar en werd er begraven met een dienst van drie lezingen. Petrus Warmoes overleed in 1693 in Woumen.
Van haar drie eerste kinderen vinden we nog enkel informatie van de jongste: Albertus Laurens overlijdt in Klerken in 1691. Hij werd 33 jaar oud en bleef voor zover bekend ongehuwd. Hij werd met een dienst van drie lezingen begraven. We mogen op deze basis wel veronderstellen dat hij ook in 1686 in Klerken woonde en aan de slag was op een van de vele boerderijen. Bij het tweede huwelijk van zijn moeder was hij al 15 jaar, en dus wellicht ook toen al ergens poester of beginnende boerenknecht. Geen idee waar zijn twee broers terecht kwamen.
De familie Deraedt – De Paepe
Joanna Depape werd in 1649 in Esen geboren als dochter van Gaspar De Paepe de jonge en Joanna Decroix. In de jaren 1670 is ze gehuwd met Petrus De Gruyttere, die in 1679 in Klerken overlijdt. Kort erop is Joanna Depape een tweede maal gehuwd met Petrus Deraedt, een broer van Gerarda De Raet die al eerder aan bod kwam (afleveringen 9 en 12). Petrus Deraedt was eerder gehuwd met een Laurentia die in 1680 in Klerken overleed.
Of er kinderen waren uit het eerste huwelijk van Joanna Depape is onduidelijk. Uit het tweede huwelijk werd in 1683 zoon Petrus De Raet geboren. Het paar Petrus Deraedt en Joanna Depape woont in 1686 al dan niet met deze zoon in Klerken. Van de zoon is geen verdere afstamming bekend. Joanna Depape overleed in Klerken in 1691; haar man Petrus Deraedt overleed er in 1695. Zij kreeg nog een begrafenis met drie lezingen; voor haar weduwnaar werden de begrafeniskosten door de Dis betaald.
De families De Pape en Deraedt vinden we steeds in Klerken en in Esen; ze woonden wellicht ook dicht bij de parochiegrens tussen beide.
Nog enkele families verwant aan de Behaeghel
We bespraken eerder al het gezin van Catharina Behaghel die gehuwd was met strodekker Gillis Burgo (zie aflevering 5), en het latere gezin van Sylvester Behaghel en Anna van Theunebrouck die vanaf 1690 tijdelijk in Klerken woonden (zie aflevering 7). Deze Sylvester Behaghel was een zoon van Simon Behaeghel uit Woumen, die ook een buitenechtelijk kind had in Klerken (zie aflevering 12). Hoe deze verder aan elkaar verwant zijn is niet altijd duidelijk; de Behaeghel zouden zowel uit Veurne als uit Ichtegem stammen, maar we vinden deze familienaam ook op veel andere plaatsen in de tweede helft van de 17de eeuw. Blijkbaar voerden ze een actieve huwelijkspolitiek en verhuisden ze wel verder dan de doorsnee bewoner van die periode. Maar er zijn nog enkele andere naamgenoten te vinden in Klerken.
Kort voor 1675 huwde Carolus Maricau met Jacoba Behaghel, dochter van Joannes Behaghele. Dit echtpaar woonde vanaf 1675 zeker in Klerken, waar er minstens drie kinderen werden geboren in de periode tot 1686, en nog een zoon eind 1687. Waar het gezin met wellicht drie (of minder) kinderen in 1686 woonde is niet duidelijk. Wel was Jacoba Behaghel verwant aan Catharine Behaghel, mogelijk haar zuster, want ze was ook meter van een van haar kinderen; ook Carolus Maricau werd peter van een van de kinderen van Catharine Behaghel. Jacoba Behaghel overleed in Klerken in 1694; ze werd met een dienst van drie lezingen begraven.
En dan is er nog Petrus Behaegele, wellicht ook verwant aan de zusters Jacoba en Catharina Behaghel, want hij werd ook doopheffer van een zoon van Catharina Behaghel, en zijn echtgenote Magdalena Menkaert ook (wellicht moest dit Mergaert zijn, maar dat staat er niet). Maar dat was in 1666 en 1669. Deze Petrus Behaegele zou in 1646 in Woumen geboren zijn als zoon van Joannes Behaegele en een Petra (geen familienaam). Hij was wellicht zoals velen landbouwer, want in 1661-62 leverde hij een spint koren aan de Armendis, en wellicht ook nog drie pond boter en nog drie achtendelen koren.
Het is echter volkomen onduidelijk of beiden er in 1686 nog woonden; er zijn ook geen kinderen uit dit huwelijk bekend.
En tenslotte is er nog het gezin van Carolus Behaghel die ook kort voor 1675 huwde met Judoca Carlier. Dit paar kreeg een zoon Carolus Behaghel die in 1675 in Klerken werd geboren. Wellicht zijn zij verder getrokken, want hierna is van dit gezin geen spoor terug te vinden in Klerken of in de naburige parochies.
Meerdere van deze Behaghel hebben hun origine in Woumen, of wonen er al dan niet tijdelijk; maar er zijn duidelijk ook verdere verbanden. Zo is bvb. Jacoba Behaghel ook doopheffer van een natuurlijke zoon van Jacobus Bogaert. Deze had voor zijn huwelijk met Petronella vande Casteele in 1682 een zoon, Jacobus Bogaert bijgenaamd Ramay, met Adriana Romeyn/Loys (zie aflevering 12 en hierboven). Maar dit is zeker geen bewijs dat ze bij de toekomstige boskanters thuishoren. Integendeel, buiten het huwelijk geboren kinderen hadden dikwijls doopheffers van de betere boerenfamilies.
De familie Reynaert-Verhalle
In 1684 huwde Jacobus Reynaert in Esen met Anna Verhalle. In Esen werden twee kinderen geboren uit dit huwelijk: Veronica Reynaert in januari 1686, en Joanna Reynaert in 1693. In de tussenperiode woonde deze familie in Klerken, wellicht al midden 1686, maar dat kan ook wat later zijn. In Klerken werd zoon Jacobus Reynaert geboren in 1688, en dochter Helena Reynaert in 1691 (voor deze laatste schreef de pastoor bij inschrijven van het doopsel de familienaam als Heinaert). Mochten ze midden 1686 al in Klerken wonen dan was het dus de familie met beide ouders, al dan niet met de oudst geborene. In 1691 waren ze weer in Esen, maar Jacobus Reynaert kwam later terug naar Klerken, waar hij in 1708 overleed.
De familie Arnoldus de Bay, en de families Barbier, Geldof en (A)Meeus
In 1675 huwde Arnoldus de Bay in Langemark met Catharina Barbier geboren in Roeselare, een dochter van Valentinus Barbier en Catharina Geldof. Blijkbaar was Catharina Geldof na het overlijden van haar man Valentinus Barbier in Roeselare, in 1668 in Klerken komen wonen. Haar oudste zoon, Antonius Barbier was er omtrent die tijd gehuwd met Petronilla Ghyselen, een afstammelinge van de molenaarsfamilie Ghyselen. Het gezin van herbergier Antonius Barbier en Petronilla Ghyselen kwam al eerder aan bod (zie aflevering 1).
Catharina Geldof was in 1686 niet de enige Catharina Geldof in Klerken. Een andere Catharina Geldof was veel vroeger al gehuwd met Joannes Ameeus/Meeus en had in 1645 een dochter met deze in Esen, en wellicht in 1653 ook een zoon in Klerken. Deze laatste Catharina Geldof woonde in 1686 zeker ook nog in Klerken, want ze overleed er in 1697 als weduwe van Joannes Ameeus; ze werd met een gewone dienst met drie lezingen begraven. Wanneer Joannes Ameeus zelf was overleden is onduidelijk. Alles wijst er wel op dat hij ook vader was van Andries en Jacoba Ameeus die eerder al aan bod kwamen (zie afleveringen 1 en 7).
Maar Catharina Geldof, Va. Joannes Ameeus die in 1697 in Klerken overleed, kan onmogelijk dezelfde zijn als Catharina Geldof Va. Valentinus Barbier die omtrent 1668-70 met haar familie in Klerken kwam wonen, wellicht schuin over de kerk, in herberg De Drie Conijnghen, bij haar oudste zoon Antonius Barbier. Ook deze Catharina Geldof Va. Valentinus Barbier woonde zeker in de periode 1672-1687 in Klerken, want ze staat er als dusdanig vermeld als doopheffer bij een drietal kleinkinderen.
Haar dochter Catharina Barbier huwde dus in 1675 in Langemark met Arnoldus de Bay. Het jonge paar kwam meteen in Klerken wonen, waar van 1676 tot 1687 zes kinderen volgden, met de jongste Arnoldus de Bay geboren in 1687, als vervanger van een al overleden broertje Arnoldus Debaey geboren in 1683. Het is niet bekend waar ze in 1686 woonden, maar toen telde het gezin dus vier of vijf in leven zijnde jonge kinderen.
Van een ervan is afstamming bekend. Hun zoon Joannes Debaey, geboren in 1680, ging omtrent 1700 in Zarren wonen. In 1704 huwde hij in Klerken met Maria Catharina Noël, een dochter van Balthasar Noé en Maria Cavaillier. Er volgden 10 kinderen, allen geboren in Zarren, waarvan de meeste jong overleden (zelfs drie in 1722 enkele dagen na elkaar). Twee dochters hebben bekende verdere afstamming.
De familie Heyse-Igodt
In 1662 pacht Andries Heyse voor 66 ponden parisis van de kerk van Klerken een boomgaard met een huis erop, in totaal 3 gemeten 1 lijn en 25 roeden groot (ongeveer 1.5 ha). Hij is dan al sinds 1655 gehuwd met Clara Igot dochter van Joannes Igodt. Deze woning en boomgaard stemt in het Terrier van 1686 overeen met percelen N°127 en 129, met het woonhuis op N°129. Deze zijn gelegen aan de toenmalige Stokstraat (vandaag is dit ter hoogte van Predikboomstraat N°6). Dat was gelegen tegenover de toenmalige pastorie die in 1686 aan de overzijde van de Stokstraat lag.


In 1662 zijn er al drie kinderen geboren; er volgen er nog zes vóór Andreas Heyse in 1675 overlijdt, en met een dienst van zes lezingen wordt begraven.
In 1686 vinden we Andries Ameeus, zoon van de Joannes Ameeus X Catharina Geldof hierboven, als pachter van deze en meer percelen in de buurt. Hij was toen gehuwd met Catharina vanden Bussche, de weduwe van Guilielmus Igodt, een broer van Clara Igot (zie ook aflevering 2). Waar Clara Igodt in 1686 woont is niet duidelijk, maar ze is er nog wel degelijk, want ze overlijdt pas in 1699. Minstens twee kinderen zijn in 1686 al overleden; wellicht meer. Bij Clara Igot wonen in 1686 dus minstens twee dochters, maar misschien nog wel zeven kinderen.
Kinderen van Andries Heyse en Clara Igot
Dochter Petronella Heyse huwt in februari 1688 in Woumen met Thomas Bouckaert. Ze overlijdt al in juli 1689 in Klerken, waar ze na een dienst van zes lezingen wordt begraven. Ze was een naamgenote van haar tante Petronella Heyse die met Louys de Pape was gehuwd (zie aflevering 8).
Zoals eerder besproken had dochter Maria Heyse in 1703 een buiten het huwelijk geboren zoon met Marinus Trioen, en huwde ze in 1704 met Antonius Barbier (zie aflevering 2); samen hadden ze ook een zoon. Maria Heyse overleed in 1707 en werd na een dienst met zes lezingen begraven.
Naast deze twee kleinkinderen is er geen verdere afstamming bekend van Andries Heyse en Clara Igot.
Andere tijdelijke inwoners en passanten
In 1684 huwen in Handzame Philippus Duymelinck en Joanna Willaert, deze laatste wellicht familie van Joannes Willaert de toenmalige pastoor in Handzame. Het paar komt in Klerken wonen en er volgt een eerste zoon in 1685; een tweede zoon wordt in 1687 geboren. Doopheffers blijken naast de pastoor van Handzame bewoners uit de buurt van Klerken Centrum te zijn. Philippus Duymelinck en Joanna Willaert wonen dus in 1686 wellicht ook in die buurt, met misschien ook de eerstgeborene nog in leven. Duymelinck is een familienaam uit het Land van Waas (Sint-Niklaas en omgeving); Willaert komt in hoge aantallen voor in Handzame en omgeving.
Maria Plets, de oudste dochter van Gerardus Plets en Maria (le) Roy uit Zarren wordt in 1684 in Klerken geboren, maar werd nog dezelfde dag in Zarren gedoopt. Een week later overleed het kind, maar in de de erop volgende jaren werden in Zarren nog vier kinderen geboren in dit gezin. Het is onduidelijk of ze in 1684 in Klerken woonden, of gewoon in de buurt van het latere Terrest waren bij de geboorte van de oudste dochter.
In de jaren 1680 vinden we verder nog enkele doopakten van zwervers en passanten. In 1681 bvb. is er een doopakte van Joannes Baptista Muyle zoon van Jan Muyle en Petronilla van Robais. Dit echtpaar was hoogstwaarschijnlijk uit Staden waar enkele jaren later nog twee dochtertjes worden geboren. Ook Nicolais van Robais en Maria Vereecke echtgenote van Jacobus van Robais, de doopheffers van Joannes Baptista Muyle vinden we in de jaren erop in Staden terug.
In 1685 is er de doopakte van Egidius Pluette buiten het huwelijk geboren zoon van Egidius Pluette en Petronella Le Man/Lamon. Doopheffers zijn Rogerius Verzever echtgenote van Clara Lamon, wellicht de zuster van de moeder, en Joanna de Decker echtgenote van Christianus van den Bussche. Deze laatste was eerder de weduwe van Jan Osten, de vroegere hooftman die in 1680 overleed. Ze woonde waarschijnlijk op perceel N°867 of 897 (zie aflevering 1). Rogier van Severen was in tweede huwelijk gehuwd met Clara Lamon en woonde toen op perceel N°713, waar hij ook voogdij had van de kinderen van zijn overleden schoonzuster Catharina Lamon (zie afelvering 3). Het lijkt erop dat Petronella le Man/Lamon daar ook inwoonde in 1686, al dan niet met haar natuurlijke zoon Egidius Pluette. Het is verder onduidelijk wie de vader van dit kind zou kunnen zijn; de naam Pluette lijkt gewoon niet te bestaan en moet dus een verbastering van iets anders zijn.

In januari 1686 beviel Petronilla Werrebrouck, geboren in Vladslo in 1665, in Klerken van een zoon Carolus, genoemd zoals zijn vader Carolus Vandenbulcke. Dit gezin woonde niet in Klerken; de pasgeboren zoon werd wel gedoopt in Klerken, maar terzelfdertijd werd de doopakte ook overgenomen in Zarren, waar dit gezin woonde. Daar volgden nog twee kinderen in 1690 en 1694. In 1699 was Petronilla Weirbrouck intussen gehuwd met Judocus Braem, bij wie ze nog minstens twee kinderen had in Zarren. Ze overleed er in 1709 op 43 jarige leeftijd. Er is wel een verband tussen de Werrebrouck uit Vladslo en Klerken, want we vinden Placidus Weirbrouck, een broer van Petronilla Weirbrouck er ook nog terug als doopheffer van Cecilia Thevel, de oudste dochter van zijn vijf jaar jongere halfzuster Dorothea Veraest bij Mattheus Thevel in 1697.
Al vertrokken vroegere inwoners?
Ergens begin jaren 1660 huwde Jacobus Vlaminck met Cornelia Hoernaey. Het paar kreeg in 1669 een mannelijk kind (zonder voornaam in de doopregisters). Cornelia Hoernaey overleed in 1677, en werd met een dienst van drie lezingen begraven. Kort erop moet Jacobus Vlamynck al opnieuw zijn gehuwd, want 10 maanden na het overlijden van Cornelia Hoernaey wordt zijn zoon Dominicus Vlamynck geboren. Daarna vinden voor dit gezin nog enkel de vermelding in de Parochierekening van 1681, waar wordt meegedeeld dat Jacobus de Vlaminck insolvent was geworden, en dat de opbrengst van 4 gemeten hakhoutbos door de parochie werd gehakt en verkocht. De eigenaar van de grond, de heer Jan Lambrecht, kreeg 33 ponden 11 schellingen parisis als compensatie voor de gemiste pacht. Het overschot was deels voor de hoofdman die de verkoop had gecoördineerd, en de rest “ten proffijtte” van de parochie. Dit stuk hakhoutbos was zeer waarschijnlijk hetzelfde als perceel N°373 in Houck 4 dat in 1686 werd gepacht door Franchois Verhaeghe die zelf op perceel N°696 woonde (zie aflevering 5). Wat met Jacobus Vlaminck en zijn familie was gebeurd, en waar ze terechtkwamen is niet bekend, wellicht terug naar de parochie waar hij geboren was en waar armlastigen alsnog “van de Dis” konden leven. Een serieuze tegenslag voor een notabele parochiaan die in de 15 jaar hiervoor regelmatig als doopheffer optrad bij kinderen van andere notabelen.
Martinus Albrecht huwde in 1665 in Esen met Joanna Rousseeuw. Het paar woonde van 1669 tot omtrent 1680 in Klerken. Er werden in Klerken drie kinderen geboren. In 1682 volgde nog een dochter in Esen; we mogen dus veronderstellen dat ze toen terug naar Esen waren verhuisd. In de jaren 1670 was Joanna Rousseeu een paar keer doopheffer van een dopeling in Klerken, samen met Jacobus Costenobel, van de eerder besproken leidende landbouwersfamilie. We mogen redelijkerwijze veronderstellen dat ze ook in de landbouw actief waren, wellicht eerder bij Klerken centrum of ten N-NO ervan richting Esen. De familie Rouseeuw was in ieder geval in betere doen want ze vervulde ook de rol van pointer of setter in Esen in die periode; naamgenoten woonden er ook in Woumen en Zarren. Maar in 1686 woonde het hier besproken gezin dus al niet meer in Klerken.
De familie Spetebroodt kwam waarschijnlijk uit Frans-Vlaanderen, waar we massa’s naamgenoten vinden (hoofdzakelijk rond Godewaersvelde, Caestre en Cassel). Blijkbaar was één familie begin jaren 1600 in Esen aangekomen, waar we een Mahieu Spetebroot vinden in de lijst van Weerbare Mannen in 1645. Deze Mahieu Spetebroot, Fs. Gillis Spittebroodt was waarschijnlijk gehuwd met Mayken Carre, samen een gezin met meerdere kinderen. Enkele kinderen huwden in Esen, maar één zoon woonde ook minstens tijdelijk in Klerken. Met name Jacques Spittebroot was er in 1681 bij de ontvangers van een compensatie voor gevangenzetting in Ieper in 1679-80. Hij was er samen met 18 andere dorpsnotabelen opgesloten als dwangmiddel om de parochie te dwingen tot het betalen van de torenhoge Franse oorlogsconributie. Hij kwam samen met de meeste anderen vrij na 3 tot 16 dagen in Ieper te zijn vastgehouden. Jacques Spittebroot zat vier dagen gevangen; de twee belangrijkste dorpsnotabelen, Melchior Blanckaert en Jacques Costenobel werden zelfs 166 dagen gevangen gezet in Kamerijk.
Jacques Spittebroot was in 1663 in Esen gehuwd met Elizabetha vande Wiere. Het paar kreeg daarop minstens zes kinderen, de oudste geboren in Esen, eentje in Vladslo in 1667, en de jongste in Klerken in 1678. Elizabetha vande Wiere overleed in Klerken in februari 1681, en werd er met een dienst van zes lezingen begraven. Waar Jacques Spittebroot daarna heen ging is onduidelijk, maar in 1686 heeft hij geen belastbaar land of woning meer in Klerken. Vreemd genoeg is er ook van zijn broers en hun afstamming geen verdere informatie in de streek in de volgende eeuw; zijn zuster Maria Jacoba Spetebroot huwde in 1681 in Zarren met Nicolaus van Damme weduwnaar van Francisca van Eeghen. Ook zij had geen verdere afstamming aldaar, of in de buurt.
Besluit
Het is een ingewikkelde zoektocht geworden, met heel wat bijzondere verhalen, en gezinnen met bizarre plotwendingen. Maar het lijkt erop dat we zo goed als alle toenmalige inwoners van Klerken hebben kunnen identificeren. De telling bij deze stand van zaken, voor zover helemaal correct, geeft 161 volwassen mannen en 164 volwassen vrouwen, met daarbij zeker 257 kinderen in leven in 1686. Het maximaal aantal kinderen in 1686 staat op 584, of m.a.w. van 327 kinderen weten we niet of ze in 1686 of erna nog in leven waren. Er is gewoon geen verdere informatie over hen. Verder tellen we in totaal 184 families, d.w.z. een of meer bij elkaar horende volwassenen, al dan niet met kinderen. Het aantal expliciet vermelde woningen in het Terrier van 1686 was 140. Er wonen dus vaak meerdere gezinnen op hetzelfde adres, zoals bvb. reeds gehuwde kinderen, of inwonende boerenknechten of meiden.
Met de vuistregel dat de helft van de kinderen in 1686 er wellicht nog was, komen we op een totaal van ongeveer 750 inwoners (minimaal 582; maximaal 909). Met de vuistregel van 5-6 personen per woonstede, een factor die in volkstellingen in de 16de en 17de eeuw in veel dorpen in de Westhoek wordt teruggevonden, komen we bij een vergelijkbaar totaal. We mogen met redelijke zekerheid stellen dat in 1686 ruim 700 personen in de parochie Klerken woonden, hooguit 750.
Verder leerden we opnieuw hoe vrij succesvolle landbouwgezinnen snel konden evolueren in economisch positieve zowel als negatieve zin. Dit was voor een groot deel bepaald door de algemene economische omstandigheden. De snelle opeenvolging van epidemieën, oorlogen en andere problemen zorgden in de decennia vóór en na 1686 voor een zeer volatiele situatie. Maar ook de bewoners zelf speelden hierin een bepalende rol. De zeer ruime periode voor en na 1686, met steeds wisselend onheil, is blijkbaar een scharnierpunt voor het ontstaan en groeien van de groep boskanters die midden 18de eeuw al een derde van de bevolking omvat. In de periode rond 1686 is daar nog geen enkele verwijzing naar, dat komt pas begin jaren 1700. Midden jaren 1700 is al massaal naar de bezemmakerij omgeschakeld, naast het bestaan als boerenknecht of -meid. Tegen 1800 is deze groep al ruim de helft van de bevolking, en dat wordt daarna niet beter.
De geografische ligging van Klerken met ten noorden en oosten de vallei met de Handzamevaart, ten oosten en zuiden het Bos van Houthulst, ten zuidwesten de Ieperlee, en ten westen de Blankaart met aansluitend de IJzervallei was niet allen geschikt voor landbouwontwikkeling, inbegrepen het pionieren met nieuwe teelten als aardappels, tabak en koolzaad. Deze uithoek van het Brugse Vrije werd ook een val voor (economische) zwakkeren die aan de rand van het Bos van Houthulst eigen oplossingen bedachten om te overleven. Maar dat is een ander veel complexer verhaal.

Hiermee is deze voorstudie van de Bevolkingsreconstructie Klerken 1686 in grote lijnen klaar voor consolidatie en uitgave als boek, met index en finale lijst met geïdentificeerde inwoners.
[1] . Voor meer achtergrond zie bvb. ook de samenvattende tekst “ De Spaanse Nederlanden eind 17de – begin 18de eeuw”