Een overzicht van de Geboorten, Huwelijken en Overlijdens in Klerken van 1600 tot 1920

Deze keer een verhaal met veel cijfers en wat statistiek. We kijken naar het grote plaatje. We plaatsen en interpreteren dit in de voortdurend veranderende wereld voor de periode 1600 tot 1920. Ons genealogisch bestand omvat vandaag zo goed als alle beschikbare genealogische data voor de parochie, later gemeente Klerken, voor deze periode. Basis zijn:

  • De Dopen/Geboorten, (Kerkelijke) Huwelijken, en Begrafenissen/Overlijdens die in de Parochieregisters (verder PR) voor Klerken nog te vinden zijn voor de periode tijdens het Ancien Régime (1653-1796) , en (deels) voor de periode 1800-1920.
  • De Burgerlijke Stand (verder BS) registers vanaf 1796, de officiële gegevensbron, ook nog vandaag.

Daarnaast zijn er secundaire bronnen, zoals

  • Originele Volkstellingen van 1748 en 1815 staan bij het Rijksarchief in Brugge (RAB), maar zijn ook in transcriptie in te kijken in uitgaven van Familiekunde Vlaanderen, Brugge. Er is ook een kerkelijke telling (1770).
  • Bij de oudste andere bronnen vinden we de Monsterrollen uit 1640 en 1645, en de Staten van Goed/ Wezenregisters voor de periode 1538 tot 1795.
  • Voor 1686 hebben vinden we in het Rijksarchief in Brugge (RAB) het “Terrier van de prochie van Clercken – 1686” met eigenaars en pachters, aangevuld met fragmentaire persoonsgegevens uit 1747 en 1798. We transcribeerden en publiceerden dit werk in 2020. Hier hoort ook een Rolle van Ommestellinghe bij die in 1719-20 werd opgesteld en bij het RAB te vinden is.
  • Meer fragmentarische bronnen zijn beschikbaar, hoofdzakelijk bij het RAB, dat intussen ook de Ieperse archieven omvat, en in het Algemeen Rijksarchief (ARA) in Brussel. Er is een beperkt aantal kerk- en armendisrekeningen voor de 17de eeuw, en een veel ruimere set parochierekeningen. In de 17de eeuw zijn de parochierekeningen ver van compleet, o.a. door de troebele omstandigheden ter plaatse, maar voor de 18de eeuw zijn ze vrij volledig en bevatten ze ook heel wat informatie over armendisrekeningen. Deze kunnen allemaal opgespoord worden via Agatha, de website van het Rijksarchief en zijn ter plaatse raadpleegbaar.
  • Verder zijn er vanaf de 19de eeuw ook militaire dossiers, eerst van deze met de Soldaten van Napoleon (originelen bij het RAB; op fiche bij FV Oostende). Daarna komt gedurende de hele 19de eeuw de jaarlijkse keuring van de nieuwe lichting met de erbij behorende loting. Referentiewebsites hiervoor zijn de Franse site Mémoire des Hommes, de culturele website van het Franse Ministère d’Armée et des Anciens Combattants, ook weer VrijwilligersRAB, en de latere militaire keuringen beschikbaar bij Probat Archieven in West-Vlaanderen.
  • Tenslotte zijn er ook reeksen processen verbaal die verslag doen van de vele grote en kleine misdrijven waarvoor parochianen van Klerken, vooral de groeiende boskantergemeenschap, bekend werd, en er deels ook zijn negatieve faam aan overhield. Deze fragmentaire correctionele archieven met processen verbaal werden opgemaakt ten laste van de boskantergemeenschap en de diefstallen uit het bos, en ander geweld dat ermee gepaard ging. Deze dossiers, te vinden bij het Rijksarchief, zijn in grote mate verwerkt door collega genealoog Geert Tavernier. Hij publiceerde hier herhaaldelijk over.

Een eerste resultaat van dit onderzoek was de “Bevolkingsreconstructie Klerken 1686“, die we hier eerder in schijfjes publiceerden (en die ooit een afgewerkte versie verdient). 30 jaar geleden al maakten we ook een zeer voorlopige analyse van de toen beschikbare gegevens in het boek “Stamboom Debruyne – van Joannes de Bruyne tot Michiel Isidoor Debruyne”, gepubliceerd in 1996. Vandaag kan dat veel uitgebreider.

Hier onder bespreken we in meer detail de algemene vaststellingen af te leiden uit de Parochieregisters (PR) en de registraties bij de Burgerlijke Stand (BS). Detail over personen zelf is te vinden op de Klerken-pagina’s op onze genealogische website die tegen het jaareinde weer een update krijgt.

De basis genealogische bronnen

Bij aanvang van ons onderzoek werkten we met de microfiches met de PR van het Ancien Régime, beschikbaar bij het VCGH het Vlaams Centrum voor Genealogie n Heraldiek in Handzame. Vandaag zijn zo goed als alle bronnen digitaal beschikbaar. Op Agatha, de website van het Rijksarchief, vinden we de Parochieregisters (PR) van het Ancien Régime. Volgende registers zijn vandaag beschikbaar:

  • PR-1 doopakten van 1653 tot 1694 (behalve 19.03.1681 tot 02.04.1682); huwelijken van 1653 tot 1701 (behalve 1665 tot 1682);
  • PR-2 overlijdens vanaf 1675 tot 1710;
  • PR-3 doopakten van 1695 tot 1745;
  • PR-4 overlijdens van 1710 tot 1751 (is enkel als tafels beschikbaar);
  • PR-5 huwelijken van 1702 tot 1778;
  • PR-6 overlijdens van 1752 tot 1780;
  • PR-7 doopakten van 1746 tot 1778;
  • PR-8 doopakten en huwelijken van 1779 tot 1783; overlijdens 1780 tot 1783;
  • PR-9 doopakten en huwelijken van 1784 tot 1796;
  • PR-10 overlijdens van 1784 tot 1796.
  • Er is ook een set Tafels met indexen, ook voor de ontbrekende, originelen, maar deze omvatten jammer genoeg niks over het verdwenen deel PR-0 dat de periode vanaf circa 1610-15 tot 1653 zou omvat hebben.

De registers van de Burgerlijke Stand (BS) vinden we ook bij Agatha, de website van het Rijksarchief. Vandaag lopen die om onduidelijke reden niet verder dan 1910 (volgens de huidige Privacy wetgeving zou dit 1925 of 1926 moeten zijn). Agatha verwijst direct naar het archief bij FamilySearch. Daar staan de originele scans van de BS gemaakt door de “Mormonen”, de Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen in Salt Lake City, NV (USA). Ze zijn online beschikbaar via de Catalogus-zoekfunctie op hun website Family Search. Zowel Agatha als FamilySearch zijn na een (gratis) login volledig doorzoekbaar.

Zo goed als alle akten van de PR en BS zijn door collega genealoog Roger Clauw in tabellen gezet. Ze zijn in die vorm doorzoekbaar op de website van Vrijwilligers RA Brugge, met directe link naar het origineel op Agatha of op Family Search. Ze staan ook in tekstversie op de Genealogische webpagina van Roger Clauw.

Tot voor enkele weken konden we deze en meer recente registers ook inkijken op de website van het Archief van Houthulst. Je vond er niet alleen de BS tot de geldende wettelijke datum (100 jaar voor geboorteakten; 75 jaar voor huwelijken en overlijdens), maar ook de PR van het Ancien Régime, en zelfs Bevolkingsregisters voor enkele tienjarige perioden in de 19de eeuw. Deze website omvatte ook registers voor Houthulst, dat afsplitste van Klerken in 1928, en de oude registers voor de de fusiegemeenten Merkem en Klerken, die in 1977 bij Houthulst werden gevoegd. Het bood ook een overzicht van alle graven op de verschillende kerkhoven in de gemeente. Maar nu kan je er enkel niet openbare documenten opvragen. De foto’s met graven op de kerkhoven van Houthulst, en deelgemeenten Klerken, Jonkershove en Merkem zijn wel nog te vinden op Geneanet – kerkhoven.

Het basisbestand

Al deze bronnen worden continu verder onderzocht. Gegevens worden aangevuld in het geconsolideerd genealogisch bestand dat nu ruim 95,000 personen omvat. Ongeveer 25,000 personen hebben een directe link naar Klerken in de periode 1600-1920. Nog eens ruim 60,000 personen zijn kort of iets verder verwant aan deze kerngroep. Deze grotere groep omvat veel informatie uit de aanpalende parochies/gemeenten Zarren, Woumen, Esen, Merkem, Staden, Westrozebeke, en Langemark. De combinatie van beide groepen is een hulpmiddel in het herkennen van waar de kerngroep vandaan kwam, en waar hun afstammelingen naar verhuisden. Alle basis genealogische data staan voor ruim 63,000 personen op mijn genealogische pagina Genealogische bevolkingsreconstructie van Klerken-Houthulst voor de periode 1600 tot 1920; er volgt een update in december.

Veel collega genealogen hebben van deze data en van de originele bronnen gebruik kunnen maken. Hun werk biedt de extra mogelijkheid tot controle op eventuele fouten in het bestand. Nu ons geconsolideerde bestand zo goed als compleet is kunnen we het ook vanuit andere hoeken gaan bekijken en leren hoe de bevolking werkelijk groeide en evolueerde tijdens deze drie eeuwen.

Mijn publicatie “Het duistere verleden van het Bos van Houthulst uitgeklaard – Het ontstaan van de boskanterij, de tragedie van het Vrijbos“ verscheen in het tijdschrift Westhoek van de Kring voor geschiedenis en familiekunde in de Vlaamse & Franse Westhoek (Westhoek, 41, nr. 2, najaar 2025, 213-276). In deze publicatie wordt met de originele archiefstukken als leidraad aangetoond hoe de boskanterij aan de noordzijde van het Bos van Houthulst kon ontstaan, in het Brugse Vrije. Deze streek, ten noorden van het Vrijbos, viel buiten de controle van het bosbeheer dat vanuit de Kasselrij Ieper werd gevoerd. Het beheer had meestal veel te beperkte middelen. Het artikel toont in detail dat de “delinquentie” van de boskanters, die het Ieperse bestuur vaststelt en met brute middelen gaat bestrijden, helemaal niet zo onregelmatig was voor de parochie Klerken, maar een nevenaspect van de extreme armoede die er ter plaatse alleen maar toenam.

Klerken lag in de verste uithoek van het Brugse Vrije. Midden 18de eeuw worstelde Klerken al tientallen jaren met het financiële bankroet. De groeiende groep boskanters die op of onder de armoedegrens leefde kon onmogelijk door de toenmalige parochie en armendis worden ondersteund. Er waren zeker echte delinquenten bij, maar de meesten waren zowel boerenknecht of -meid, en daarnaast ook bezemmaker als aanvulling op het schaarse inkomen. Velen woonden er op eigen grond, of zelf gepachte grond. De door Ieper geclaimde halve-mijlszone (1.92 km) aan de noordkant van het bos speelde voor het Brugse Vrije hierbij geen rol. Integendeel deze zone was van vitaal belang om de daar wonende bevolkingsgroep in leven te houden.

De daar beschreven historische reconstructie omvat vooral de eerste 150 jaar van deze bevolkingsreconstructie en eindigt midden de tweede helft van de 18de eeuw. Bij aanvang vinden we er enkel een landbouwbevolking, geen boskanterij, maar dat verandert snel vanaf eind 17de eeuw. De anderhalve eeuw na midden 18de eeuw groeide de bevolking veel sterker, aan een steeds sneller tempo.

De bevolking groeit alleen maar

We leerden uit vorige publicaties op deze blog dat er in Klerken kort voor en rond 1600 zo goed als niemand woonde. Het platteland was onveilig door de voortdurende invallen van soldaten en rebellen vanuit het Staatse Oostende en Sluis. Ook de bijna onafgebroken passage van geregelde en vaak ongeregelde legerdivisies zowel van Spaanse, als Franse, Engelse en Staatse origine zorgde voor grote problemen, met opeisingen, brandschatting en plundering. Deze leegloop begon rond de Beeldenstorm in 1566, nam toe tijdens de troebelen van de jaren 1670, en nog meer tijdens de herovering van de West-Vlaamse steden begin jaren 1580. Maar de voortdurende invallen van uit het nog Staatse Oostende duurden tot het einde van de 16de eeuw.

Boeren die er nog actief waren woonden bij nacht in een veiliger omgeving. Vanaf het begin van de 17de eeuw, na de val van Oostende in 1604, kwam er eindelijk weer stabiliteit. De bewoning neemt vanaf dan toe. Al vanaf eind 16de eeuw, en tijdens het Beleg van Oostende, zien we terugkerende bewoners. We zien ook veel nieuwe boeren, die vrijgekomen of nog vrij liggende pachten innemen. Met hen komen boerenknechten en -meiden en andere bewoners in Klerken wonen. Dit is ook de periode waar we een reeks Franse familienamen zien van pachters met origine in Frans-Vlaanderen, Artesië en Picardië. Zij vervangen families die verdwenen of uitgeweken waren als gevolg van de godsdiensttroebelen.

Rond 1640-45 is de bevolking van de parochie Klerken 300, misschien wel 400 inwoners groot. Basis hiervoor is de lijst met weerbare mannen in de Monsterrollen en losse informatie in enkele parochierekeningen. Bij de Bevolkingsreconstructie voor 1686 tellen we 700 tot 800 inwoners. Basis hiervoor is de reconstructie horend bij het Terrier van 1686. De bevolking is dus verdubbeld in 40 jaar tijd. Die eerste driekwart eeuw neemt de bevolking niet alleen toe op natuurlijke wijze, maar de inwijking van landbouwers blijft ook nog de hele periode van belang. Nieuwe pachters komen, vooral uit het Brugse Vrije. Ze gaan vrij liggende landerijen uitbaten. Of ze nemen bedrijven over, die om wat voor reden ook, weer vrij kwamen. Ziektes en de voortdurende militaire passages zorgden voor veel te hoge sterftecijfers, met vaak insolvabiliteit en leegstand als gevolg.

Vanaf 1677 begint de zoveelste moeilijke periode, met bijna continu 35 jaar Franse bezetting in de aanpalende Kasselrij Ieper, en problemen aan de noordzijde van het Vrijbos, het zuiden van de parochie Klerken, deel van het Brugse Vrije. Het hele Vrijbos en nog extra geannexeerde percelen worden door de Franse Kroon ingepalmd. Deze ontwikkeling met steeds grotere financiële problemen voor de parochie lag aan de basis van de snel ontwikkelende boskanter gemeenschap. Dit beschreven we al eerder in detail.

Na 1713, bij overgang naar de Oostenrijkse tijd, normaliseerde alles enigszins. Bij de Volkstelling van 1748 worden 850 bewoners geteld. Uit ons onderzoek blijkt dat er tientallen inwoners niet in deze telling zijn opgetekend. De bevolking was wellicht eerder 950 inwoners groot. Ook dit inbegrepen blijft dit een groei van slechts 20% in 60 jaar tijd. Ook deze groei blijft nog voor een deel gebaseerd op het telkens opvullen van het beschikbare pachtland. Deze kleine 1,000 inwoners stemmen ook overeen met de draagkracht van de parochie van ongeveer 1,000 ha groot. Draagkracht veranderde wel vanaf 1740-50, met de doorbraak van de aardappel als dagelijks voedingsmiddel. Maar we zien ook steeds meer armen en disgenoten terug komen wonen in hun parochie van geboorte. Tijdens het Ancien Régime werd de parochie van geboorte verondersteld armen te voeden en steunen.

De bevolkingsgroei versnelt dus wel vanaf midden 18de eeuw. In 1770 telt het bisdom 208 “menagien”, wat zou moeten overeenstemmen met ongeveer 1,100 inwoners (1,050 tot 1,170). Hiervan wonen er een vijfde op maximaal een kwartier gaan van de kerk (Klerken Centrum en Ter Smisse). Twee vijfden van de bevolking woont tot een half uur of meer gaan van de kerk (Pierkenshoek en Hoogkwartier). De rest woont nog verder, minstens drie kwartier te voet van de kerk (Hoogkwartier en Terrest). Dit was genoeg om de kerkelijke ondersteuning verder op te drijven. Deze was na de brute tussenkomst van het Ieperse gezag in 1758, met de afbraak en destructie van tientallen rechtmatige woningen van boskanters, een van de maatregelen om het groeiende armoedeprobleem onder controle te krijgen. In 1770 kwam er een nieuwe pastorie in Klerken centrum, met extra onderpastoor specifiek ter ondersteuning van de boskanterbevolking.

Op 1 januari 1815, in de korte overgangsperiode na weer eens 20 jaar Franse bezetting, is er opnieuw een volkstelling. Ondanks de vele troebelen telt men nu 2,125 inwoners, bijna het dubbel van 45 jaar eerder. Deze bevolkingsgroei zet zich verder tijdens de hele 19de eeuw. De bevolking groeit, maar in 1846-49 volgt de grote aardappelcrisis met hongersnood en oversterfte. De kerk schakelt ook nu weer extra bij. In 1857 krijgt de parochie Houthulst een eigen kerk, en wordt ze afgesplitst van de parochie Klerken. De gemeente telt nu twee parochies. De bevolking groeit aan snel tempo verder. Deze groei vertraagt pas vanaf begin 20ste eeuw.

De druk om Klerken te verlaten nam al toe sinds midden 18de eeuw. Dit proces versnelde de hele 19de eeuw. Velen gingen elders aan de slag als vaste landarbeider, of als seizoenarbeider. Anderen gingen werken in het Waalse of het Noord-Franse kolenbekken, of in de textielindustrie rond Rijssel en Gent. Boskanters hadden de bezemmakerij en bijbehorende leuren groot gemaakt. Vanaf 1830 viel de basis weg toen het bos werd geprivatiseerd. Ze schakelden over van leuren met bezems naar leuren met manden, en later allerhande waren. Leurders werden ook deels foorkramers en rondreizende muzikanten. Ze trokken steeds verder weg uit de streek, naar Wallonië, Duitsland en velen ook tot diep in Frankrijk. Wie het kon betalen, kon ook emigreren naar Amerika of Canada.

Voor het bevolkingsaantal in 1914 zijn geen exacte cijfers bekend, maar Klerken had tin 1910 5,600 inwoners, dus ruim 2.5 maal zoveel als 100 jaar eerder. In augustus 1914 begon de Eerste Wereldoorlog. Klerken kwam terecht pal op het front tussen de Duitse en Belgische troepen. Midden oktober kwamen de Duitse troepen aan. Binnen enkele dagen was de volledige bevolking verdreven of gevlucht, deels naar het Brugse of verder, deels naar het Ieperse en Frankrijk, waar velen ook al als seizoenarbeider of als leurder aan de slag waren. Na de Eerste Wereldoorlog kwamen velen terug, maar zeker niet allemaal. Houthulst werd in 1928 van Klerken afgesplitst en had toen ongeveer 2,500 inwoners, In Klerken woonden toen ruim 1,500 inwoners.

Het totaalbeeld voor de bevolkingsgroei in de bestudeerde periode ziet er zo uit.

De punten (met een wijde spreiding erop, vóór 1830, zijn de cijfers van de reconstructie hiervoor beschreven; na 1830 gebruiken we bekende bevolkingscijfers. De oranje streepjeslijn toont een exponentiële curve als best-fit (voor de liefhebbers: formule y =0.00002.e0.01018x met r²=0.9831); een behoorlijk goede fit zowaar. We starten met ruim 300 bewoners in 1640 en eindigen met 5,800 tot 5,900 in 1914. Dat is een verdubbeling elke 68 jaar. In de praktijk zitten daar, zoals hoger beschreven, zeer grote schommelingen op door volatiele geboorte- en sterftecijfers (volle lijn hierboven). Daar komt ook nog immigratie en emigratie bovenop.

Het grote beeld is dus bekend. We beginnen met weinig of geen inwoners rond 1600, en eindigen zonder inwoners tijdens de Grote Oorlog, van eind 1914 tot eind 1918. De bevolkingsgroei tussen beide punten volgt ruwweg een exponentiële curve, met veel hindernissen onderweg. De afwijkingen tussen punten en curve hebben wel degelijk een oorzaak. Wat gebeurde in deze periode van 300 jaar?

Dopen / Geboorten

We beschikken over een bijna volledig overzicht van PR Dopen startend in 1653, en eindigend in 1892. Er zijn enkele onderbrekingen in de 17de eeuw, en ook een nog in te vullen stuk van eind 18de eeuw tot begin 19de eeuw, en na 1892. Vanaf de invoering van de Burgerlijke Stand in 1896, hebben we ook een continu geboortereeks tot 1920.

Dit levert samen dit beeld:

Wat zien we hier allemaal?

  • De eerste volledige 100 jaar van 1654 tot en met 1753 schommelt het geboortecijfer rond de 33 geboorten per jaar, met als laagste 17 (in 1694) en als hoogste 48 (in 1708). Let wel: er zijn geen data voor 1673, en ook niet voor enkele andere maanden in datzelfde decennium; 12 maanden data ontbreken ook voor 1681-82.
  • Afhankelijk van het bijbehorende sterftecijfer en in- en uitwijking zouden we hier een bevolkingsgroei aan kunnen koppelen. Maar deze beschreven we al in grote lijnen hoger in dit verhaal.
  • Vanaf 1740, en zeker vanaf 1750 gaat de geboortecurve stijgen. Eind 18de eeuw zit het gemiddelde al boven 75 geboorten per jaar, een ruime verdubbeling. Begin 1800 is dat volgens de data uit de BS nog steeds zo. Dopen zijn nog niet verwerkt voor de periode 1797-1806, vandaar de betekenisloze sprong in de grafiek, maar de eerste betrouwbare data uit BS sluiten goed aan bij de eerdere data uit de PR.
  • Het aantal geboorten in de periode 1796-1806 is lager dan normaal kan verwacht worden. Veel jonge mannen geboren in 1775-1790 zouden dan normalerwijze op de huwelijksmarkt komen en kinderen krijgen, maar een niet onbelangrijk aantal van hen was al dan niet tegen hun zin bij het leger van Napoleon in dienst. Velen keerden nooit terug.
  • Er wordt een eerste piek van 100 geboorten genoteerd in 1806, gevolgd door ruim 10 jaar lichte terugval. Dit is een periode met enkele extreem koude winters, en ook meerdere misoogsten.
  • Vanaf 1825 volgen twee decennia met sterk toenemend geboortecijfer. Dat gaat van circa 100 per jaar naar bijna 150 per jaar; 50% stijging in amper 20 jaar!
  • Van 1846 tot 1852 is er een significante dip in de geboorten/doopsels; het geboortecijfer valt terug op de helft. De cijfers hernemen tot ruim 125 geboorten in 1852-53 maar dan volgt opnieuw een daling in 1854-55. Dit is de periode van “Arm Vlaanderen” met eerst opeenvolgende mislukte aardappeloogsten samenvallend met extreem strenge winters, meteen gevolgd door meerdere mislukte tarweoogsten. De aardappelopbrengst veerde op in 1848-49. Pas vanaf 1855 normaliseerden de oogsten. Daar kwamen nog besmettelijke ziekten bij zoals cholera en tyfus. Naast de hoge sterftecijfers (zie verder) daalde het geboortecijfer in Vlaanderen met 20 tot 30 procent door acute ondervoeding en verminderde vruchtbaarheid. Het is duidelijk dat dit ook in een kleine gemeente zoals Klerken een doorslaggevende impact had. De cijfers spreken voor zich.
  • Maar vanaf 1855 springt het geboortecijfer weer naar de verwachte 150 geboorten per jaar. Dat stijgt de volgende twee decennia naar circa 180 geboorten per jaar..
  • De daling in aantal geboortes in de periode 1880-90 is opnieuw gekoppeld aan een landbouwcrisis. Door de massale invoer van goedkope tarwe en andere grondstoffen, kon de lokale kleinschalige landbouw niet meer concurreren. Veel landbouwers konden hun bedrijf niet meer rendabel uitbaten. Veel boeren haalden het niet meer, en als neveneffect verloren ook veel boerenwerkers hun werk. Dat leidde niet alleen tot directe armoede met ondervoeding, en bijgevolg opnieuw een lager geboortecijfer (en een verhoogd sterftecijfer; zie verder). Het gaf ook een extra impuls om het platteland te verlaten en op zoek te gaan naar werk in de mijnbouw in Wallonië en Noord-Frankrijk, en fabriekswerk in de Rijselse en Gentse textielindustrie. Hier start ook de emigratie naar Noord-Amerika. Voor de leurders en foorkramers was dit een extra reden om nog actiever en verder op stap te gaan.
  • We zien die hele periode in de 19de eeuw een goede overeenkomst tussen de data in PR Dopen en de BS. Vanaf 1857 is dit niet meer zo. Vanaf dat jaar tellen we de PR Dopen bijeen van zowel de Sint-Laurentiuskerk in Klerken Centrum als van de nieuwe Sint-Jan-Baptistkerk in wat later Houthulst wordt. De Sint-Jan-Baptistkerk in Houthulst bedient ook inwoners in de wijk Terrest, die toen nog voor het grootste deel in Zarren lag. Doopsels in de kerk komen deels overeen met aangiften in de BS van Zarren. Voor 1857 werden ook wel af en toe kinderen van Terrest in Klerken Centrum gedoopt, maar dat was bijna even ver als Zarren, ruim drie kwartier te voet van Terrest, i.p.v. een kwartier te voet naar de nieuwe kerk. Na 1857 gaat het om gemiddeld 25 dopen per jaar. Dat deel van Terrest werd pas in 1972 bij de gemeente Houthulst gevoegd.
  • Verder blijkt bij detailvergelijking van PR Dopen en BS Geboorten dat herhaaldelijk geboorten niet worden aangegeven. In enkele gevallen is dit omdat het kind kort na de (nood)doop waarschijnlijk is overleden, en men aangifte bij de BS niet meer nodig vond. Enkele andere gevallen zijn later rechtgezet als het kind alsnog wilde huwen en geen geboorteakte te vinden was, of alsnog voor de militie werd opgeroepen. Verder zijn er ook wel enkele jongens als meisje aangegeven en omgekeerd. Kortom, er werd af en toe nogal losjes omgesprongen met wat in de BS Geboorten terecht kwam. Vraag is bijgevolg ook in hoeverre wat er buiten de al bekende fouten staat, ook altijd correct was.
  • Het geboortecijfer bereikt zijn piek rond 1895-1905 met 190-210 geboorten per jaar. Vanaf 1905 daalt het cijfer op natuurlijke wijze naar ruim 150.
  • Vanaf oktober 1914 tot ruim in 1919 wordt geen enkele geboorte geregistreerd in de BS Klerken. Na de oorlog herneemt de registratie.

Deze detailanalyse illustreert mooi hoeveel extra informatie in de vele akten en registraties zit. Hier kijken we naar het macrobeeld. Maar bij het lezen van iedere akte botsen we ook op detailinformatie over de personen, hun beroep, waar ze vandaan kwamen, waar ze woonden, en nog veel meer. Vooral vanaf de akten van de BS neemt dit soort detailinfo sterk toe. Maar dit valt buiten het bestek van dit verhaal.

Buiten het huwelijk geboren kinderen

Ook tijdens het Ancien Régime zijn er kinderen buiten het huwelijk geboren. Deze zijn vaak geïdentificeerd als kind van een landbouwer of landheer waar de moeder aan de slag was; heel occasioneel blijft de vader onbekend. Begin 18de eeuw was er even een toename met kinderen van samenwonende, nog niet gehuwde paren. Enkele jaren later werd dit door de pastoor bij een kerkelijk huwelijk van de ouders geregulariseerd. Het blijven uitzonderingen. Een wettiging bij kerkelijk huwelijk bestond toen niet; er zijn ook weinig andere aanwijzingen dat zoiets gebeurde. Kinderen overleden sowieso vaak zeer jong; dat was ook zo voor buiten het huwelijk geboren kinderen.

Er werd in de bestudeerde periode één vondelinge gedoopt in Klerken, eind januari 1771; het meisje kreeg geen familienaam en overleed wellicht na de nacht in de januari-kou. In april 1738 was er eerder een vondelinge in Woumen, wel met bekende afstamming. Vondelingen blijven uitzonderlijk in landelijke parochies.

Met de Franse Revolutie en 2 decennia Franse bezetting van 1796 tot 1814 verandert dit fundamenteel. In de hele 19de eeuw zijn er een veel groter aantal buiten het huwelijk geboren kinderen. Het jaarlijkse percentage schommelt tussen de 3 en 8% in de BS. In de PR tellen we er 607 op 13,283 doopsels (535 van de 11,328 doopsels in Sint-Laurentius voor de periode 1807-1914; 72 van de 1,955 doopsels in de Sint-Jan-Baptistkerk voor de periode 1857-1880). Het aantal neemt toe, van ongeveer 5% in het eerste decennium naar 8% in de jaren 1820-30. Daarna daalt het twee decennia tot 4-5%. In 1851-60 stijgt het opnieuw tot 8%. De volgende decennia daalt het percentage snel naar 4% en dan naar 2.7% begin 20ste eeuw.

De sterke stijging midden 19de eeuw is voor het grootste deel toe te wijzen aan de leurders en andere werkers en werksters die bij de nieuwe parochie Sint-Jan-Baptist horen vanaf 1857. De eerste periode 1857-60 voor dopen aldaar omvat ruim 10% buiten het huwelijk geboren kinderen. Deze aparte bevolkingsgroep komt verder nog aan bod. Hier zien we al dat ze extra bijdragen aan het aantal buiten het huwelijk geboren kinderen.

Ongeveer 1 van de 3 buiten het huwelijk geboren kinderen werd erkend/gewettigd bij het huwelijk van de moeder (zie verder). De anderen gingen verder onder de familienaam van de moeder, of waren al jong overleden. Ziekten en epidemieën maakten hier geen onderscheid. Wettigen van een buiten het huwelijk geboren kind gebeurde al van bij de invoering van de nieuwe registratie in de BS startend in 1796.

Begrafenissen / Overlijdens

Kindersterfte bleef zeer hoog tijdens het Ancien Régime en ook nog tijdens het grootste deel van de 19de eeuw. Men leest wel eens dat tijdens het Ancien Régime amper de helft van de kinderen ooit de volwassen leeftijd zou bereiken. Of het werkelijk zo extreem was in Klerken kunnen we niet uit de PR Begrafenissen afleiden. Tot circa 1750 werden overlijdens van kinderen, of beter van niet-communicanten, zo goed als nooit genoteerd in de parochieregisters. In 1770 was iedereen die ouder dan 11 tot 14 jaar, communicant.

Wel weten we bvb dat er in 1686 161 volwassen mannen en 164 volwassen vrouwen wonen in Klerken, met daarbij zeker 257 kinderen in leven. Het maximaal aantal kinderen in 1686, op basis van PR Dopen, was theoretisch 584. Met andere woorden: van 327 kinderen weten we niet of ze in 1686 of erna nog in leven waren. Er is gewoon geen verdere informatie over hen. Als we veronderstellen dat de helft van die 327 nog in leven was, dan zou de kindersterfte omtrent 164 op 584 zijn, dus een kleine 30%. Dit komt met een foutenmarge van minstens 10%, waarschijnlijk meer. Met andere woorden, een kindersterfte van 20 tot 40%. Hallucinante cijfers. En dit bleef zo hoog tot ruim in de tweede helft van de 19de eeuw.

Maar er is veel meer aan de hand dan hoge kindersterfte. De geconsolideerde gegevens voor begrafenissen / overlijdens in de PR en de Overlijdens in de BS passen opnieuw behoorlijk goed bij mekaar. Ze lopen in gemiddelde lijn gelijk op zoals de geboorten (zie grafiek hierboven). Maar de voorgestelde lijn is een lopend gemiddelde. Jaarlijkse schommelingen kunnen spectaculair groter zijn, zoals uit de volgende detailstudie blijkt.

Overlijdens tijdens het Ancien Régime

Eerst wat we in de PR van het Ancien Régime vinden. Begrafenissen worden er genoteerd vanaf 1675. Er zijn in de PR ook heel wat maanden zonder overlijdens terug te vinden. Dit stemt waarschijnlijk wel overeen met de realiteit; overlijdens zijn heel die periode hoog in de maanden maart-april en september-november, en relatief laag in de zomerperiode. Met doorgaans slechts 10 tot 15 overlijdens (van volwassenen) per jaar moeten er ook maanden zonder overlijdens zijn. Maar er zijn even goed jaren met significant hoge oversterfte:

De oversterfte in de jaren 1681, 1691, 1695, 1708, en ook nog in 1752 is telkens goed voor ongeveer 5% van de totale bevolking, en dus 7% of meer van de volwassen bevolking. Dit zijn dramatische cijfers die voor 1681 al zijdelings aan bod kwamen in een eerder verhaal over “Gijzelaars en Represailles, Stormvloed en Dijkbreuk – de Parochierekening 1681“. Daar zagen we dat landbouwers overleden, die ruim een vijfde van het verpachte areaal uitbaatten.

Telkens weer werden alle bevolkingsgroepen getroffen. Landbouwers met grote of kleine bedrijven overleden, en even goed hun knechten en meiden. Dit leidde tot insolventie en vrijkomen van landerijen. Vooral in de 17de eeuw en begin 18de eeuw komen er dan telkens nieuw ingeweken pachters deze bedrijven uitbaten, of er als knecht of meid meewerken. In de tweede helft van de 18de eeuw speelt dit ook nog, maar vanaf dan neemt de bevolking als geheel toe, en dit effect weegt minder door. Meer insolventie en armoede leidt al van eind 17de eeuw tot een groeiende boskanterbevolking.

De oorzaak van deze hoge oversterfte is niet altijd even makkelijk aan te wijzen. Voor 1708 is bekend dat slechte oogsten en een extreem harde winter tot ondervoeding en zelfs hongersnood leidde. In 1681, 1691 en misschien ook 1695 spelen ziektes een rol. Ziekte en epidemieën zijn meestal het gevolg van de passage van troepen die van alles en nog wat opeisen of beginnen plunderen. Wat de oorzaak was in 1752 en 1773 is nog onduidelijk. 1752, midden 18de eeuw valt ook midden een periode met extra koude winters; we naderen dan het einde van de zogenaamde Kleine IJstijd. Voor 1779 is bekend dat er misoogsten waren door extreme warmte en droogte met slechte waterkwaliteit, met misschien ook een malaria uitbraak en dysenterie als gevolg. Maar dat speelde vooral in het najaar. In Klerken kwam de oversterfte er met een piek in april en mei, en was die voorbij in de nazomer.

Voor 1794-95 is de oorzaak wel makkelijk te identificeren. Toen overleden 178 mensen, ruim 100 meer dan normaal verwacht mocht worden. Dat is een oversterfte van ruim 6.5% van de bevolking. Op 10 en 13 juni werd toen slag geleverd bij Hooglede, telkens met een Franse overwinning. Zowel de Oostenrijkse als de Franse troepen manoeuvreerden van voor dit treffen tot ruim erna in de wijde regio rond Hooglede. Ook het Bos van Houthulst speelde bij de logistiek die hierbij hoort opnieuw een belangrijke rol. Dit leidde tot de epidemie en grote sterfte vanaf begin augustus 1794 tot ruim in 1795. De lokale bevolking werd weer eens getroffen door een dysenterie-epidemie, de “rode hond” in de volksmond. Dit was niet alleen het geval in Klerken, maar in alle parochies in de buurt.

Overlijdens vanaf 1800

Voor de 19de eeuw verandert het beeld even dramatisch als we meer in detail gaan kijken:

We zien bijna een non-stop opeenvolging van jaren met oversterfte:

  • 1809, 1812, 1818, 1822 zijn waarschijnlijk gekoppeld aan nog een periode met strenge winters, en aan jaren met mislukte oogst als gevolg van verre vulkaanuitbarstingen: in 1808 (vulkaan onbekend); de Tambora (Indonesië) in april 1815, telkens gevolgd door een jaar zonder zomer. Tussendoor was er nog de uitbarsting van de Soufrière (Caraïben) in 1812, de Suwanosejima (Japan) in 1813-14, en de Mayon (Filipijnen) in 1814.
  • Voor 1827 is de origine onduidelijk
  • De eerste grote cholera-uitbraak in België kwam er in 1832. In hoeverre cholera ook al toesloeg in dorpen zoals Klerken is niet bekend.
  • Deze zes eerste piekjes met hoge aantallen overlijdens zijn wel minder ingrijpend dan de oversterfte van de 16de en 17de eeuw (zie hiervoor), maar eerder in de orde van grootte als de Covid-19 oversterfte in 2020.
  • Dit is significant anders voor de sterftepiek in 1846-47. Dan overleden in Klerken twee jaar na elkaar dubbel zoveel personen als normaal kon worden verwacht.
  • De oversterfte in 1859 is waarschijnlijk (ook) weer gekoppeld aan een cholera- of tyfusepidemie. Maar die was er ook in 1866 in België, en dat is dan niet echt terug te vinden in deze grafiek.
  • Oversterfte in 1871 is eenduidig toe te wijzen aan de zwaarste pokkenepidemie ooit in België. Dat ging opnieuw samen met een enorme zuigelingen oversterfte.
  • De troepenbewegingen die samengingen met de Frans-Duitse oorlog van 1870 brachten verder nog roodvonk en difterie. Dit speelde wel minder mee in Klerken dat voor een keer buiten deze actie viel.
  • We bespraken hiervoor al het effect van de grote landbouwcrisis van 1880-90, met dalend geboortecijfer als een van de neveneffecten. Samen met de toenemende armoede zien we hier een verder gevolg in ruim 30% meer overlijdens in de jaren 1890-92.
  • Let wel: vanaf 1880, en zeker vanaf 1900 vinden we meer overlijdens in Klerken dan normalerwijze verwacht. Vanaf dan tellen we ook personen mee van buiten Klerken, die bij verblijf in het Gasthuis overlijden.
  • De dramatische terugval van eind 1914 is zoals in de inleiding beschreven geen plotse intrede van het eeuwig leven, maar het resultaat van een gemeente waar de volledige bevolking werd weggejaagd door de Duitse bezetter.

Geboorte en overlijden zijn slechts begin- en eindpunt van het leven van onze voorouders. Maar ze hebben daar tussen een heel leven, met beroepen, huwelijken, kinderen en nog zoveel meer. We kijken naar de huwelijken.

Huwelijken

We vinden huwelijksakten in de PR tijdens het Ancien Régime (met een onderbreking van 1666 tot 1682), en tijdens de 19de eeuw. Vanaf 1796 vinden we ook een zo goed als volledige set huwelijksakten in de BS (behalve 1798-1800: dan werden burgerlijke huwelijken in de kantonhoofdplaats gesloten, in dit geval in Diksmuide). Samengevat ziet het beeld er zo uit:

Enkele vaststellingen:

  • We tellen 1,281 kerkelijke huwelijken in de PR vóór 1800; de reeks kerkelijke huwelijken na 1800 is onvolledig (tot zover), maar bevat intussen al ruim 2,400 stuks.
  • We tellen 2,952 burgerlijke huwelijken in de BS startend in 1801 tot en met 1914.
  • Het aantal huwelijken schommelt tussen een kleine 5 tot ruim 15 per jaar doorheen de 140 jaar gegevens tijdens het Ancien Régime. Het stijgende bevolkingsaantal vanaf 1750 heeft slechts naar het einde toe enige impact, zoals logischerwijze kan worden verwacht.
  • Vanaf de start van de BS in 1796, zeker vanaf 1800, stabiliseert het aantal huwelijken rond 15 per jaar. Daarna neemt het aantal huwelijken per jaar bijna continu toe tot 35-45 begin jaren 1900.
  • In de periodes met een verlaagd geboortecijfer en hoger sterftecijfer, met name 1845-55 en 1870-85 daalt het aantal huwelijken per jaar wel significant tot resp. 12-20, en 17-28.
  • Ook hier zitten vanaf 1857 enkele huwelijken van inwoners van Terrest tussen de kerkelijke huwelijken in de Sint-Jan-Baptistkerk. Deze vinden we niet in de BS Klerken, maar in in de BS Zarren. Dit effect verdwijnt echter in de grote schommelingen die we van jaar tot jaar zien.

Dit is het grote beeld van de huwelijksmarkt in Klerken. Maar dit verhult opnieuw in grote mate wat er echt gebeurt. We beginnen met een algemeen analyse.

Huwelijken algemeen

  • In de 17de eeuw domineren huwelijken met personen van buiten de parochie. Nieuwe pachters komen aan, van dichtbij of verder gelegen Vlaamse parochies. Andere pachters verdwijnen naar nabije of verre parochies. Hetzelfde geldt voor landwerkers, knechten en meiden.
  • Daarna wint het effect van huwelijken binnen de parochie aan belang. Vanaf 1700, zeker vanaf 1750 is dit niet meer te verwaarlozen. In de 19de eeuw verandert dit opnieuw, door toenemende uitwijking bij werk en huwelijk, en terzelfdertijd toenemende aankomst van nieuwe bewoners.
  • Een huwelijk en bijbehorend gezin vormen de basis van de maatschappij. Telkens een man of vrouw wegvalt door overlijden neemt het risico op armoede en insolvabiliteit sterk toe. Een nieuw huwelijk is voor de overblijvende partner het meest probate middel om hieraan te ontsnappen. Tijdens het Ancien Régime was 1 op de 3 huwelijken minstens voor één van de gehuwden een vervolg-huwelijk. Dit werkte in beide richtingen en leidt vaak tot wat we met een verzamelwoord estafette-huwelijken of ketting-huwelijken kunnen noemen. Sommige partners overleven tot vijf echtgenoten/s, anderen huwen, overlijden, de nieuwe partner huwt opnieuw enzovoort; tot soms vijf maal toe.
  • Het toenemend aantal huwelijken binnen de parochie heeft als neveneffect dat vaak dispensatie nodig is bij het kerkelijk huwelijk. Kerkelijke dispensatie kon vele vormen aannemen, maar we kijken hier enkel naar de dispensaties voor bloedverwantschap. Deze vinden we tijdens het Ancien Régime voor 2% van de 1282 huwelijken, als volgt op te splitsen:
    • vier huwelijken met dispensatie voor verwantschap in de tweede graad, d.i. tussen neef en nicht;
    • drie huwelijken met dispensatie in de tweede en derde graad, d.i. (achter)neef en (achter)nicht
    • 14 huwelijken met dispensatie in de derde graad, d.i. achterneef en achternicht
    • vier huwelijken met dispensatie in de derde en vierde graad, d.i. (achter)achterneef en (achter)achternicht
    • drie (of vier) huwelijken met dispensatie in de vierde graad (één huwelijk zou derde graads-verwantschap zijn i.p.v. vierde graads-verwantschap)
    • Let wel: sommige dispensaties komen bij een vervolghuwelijk waar bruid en bruidegom al ruim voorbij de vruchtbare leeftijd zitten, en vormen genetisch gezien geen probleem.
  • Voor de 19de eeuw bestudeerden we 2,419 kerkelijke huwelijken (1,769 in de Sint-Laurentius-parochie + 650 in de Sint-Jan-Baptist-parochie). Deze reeks omvat de periode 1796-1811, en 1823-1897). Het aantal dispensaties voor bloedverwantschap neemt toe tot 7% van alle huwelijken:
    • 3 huwelijken met verwantschap in de eerste graad, d.i. men huwt met de broer of zuster van de eerste man of vrouw; dit is een van de vele vormen van mogelijke dispensatie volgens een kerkelijke regel.
    • 7 (5+2) in de eerste en tweede graad, en 1 in de eerste en derde graad, een mix met het vorige geval
    • 13 (8+5) in de tweede graad, dus neef en nicht
    • 16 (12+4) in de tweede en derde graad
    • 109 (84+25) huwelijken in de derde graad
    • 18 (12+6) in de derde en vierde graad
    • 18 (14+4) in de vierde graad
  • Dit zijn spectaculair hoge cijfers. De druk om de gemeente te verlaten was ook om deze reden extreem hoog. Maar als we dat vergelijken met wat we leren uit de volkstellingen van 1748 en van 1815 dan is dat ook helemaal niet onverwacht. Ook daar wijzen de cijfers over het beperkt aantal familienamen en beroepen in eenzelfde richting. Iedereen was in de 19de eeuw zo goed als steeds verwant met iedereen, en dit niet op één manier, maar soms op 10, zelfs 15 verschillende wijzen; in de derde, vierde of nog veel hogere graad.

Huwelijken tijden het Ancien Régime

Op welke leeftijd werd er gehuwd? Hier werken we (voorlopig) met een representatieve steekproef. We bekijken gewoon de eerste helft van 1,281 huwelijken, geklasseerd op familienaam van de bruidegom. In de drie figuren hieronder tonen we eerst een overzicht van deze (kleine) 50% huwelijken tijdens het Ancien Régime, vóór 1800 dus. In de tweede en derde figuur tonen we de spreiding van de leeftijd van bruid en bruidegom exclusief voor huwelijken die voor hen beide een eerste huwelijk waren.

Bij het eerste huwelijk: in de tweede grafiek “overige” zijn dit de landbouwers, de smeden, molenaars, herbergiers, timmerman, koster, en nog wat anderen (hoofdzakelijk Klerken Centrum en Ter Smisse). In de derde grafiek tonen we hetzelfde voor de bezemmakers, andere werkers en boerenhelpers, die de boskantergemeenschap gaan vormen (hoofdzakelijk wijken Hoogkwartier en Terrest).

Huwelijken tijdens het Ancien Régime (random steekproef van 625 van de 1,281 huwelijken). Links: leeftijden van bruid en bruidegom bij alle huwelijken (516 van 625 bekeken huwelijken). Midden: leeftijd van bruid en bruidegom bij eerste huwelijk voor de groep “overige” (186 huwelijken). Rechts hetzelfde voor de groep “boskanters” (99 huwelijken). Gearceerd (midden en rechts): de som van beide groepen eerste huwelijken.

Eerst een algemene conclusie. 186 + 99 = 285 eerste huwelijken. Op een totaal van 625 geëvalueerde huwelijken is dat minder dan de helft. Met andere woorden: ruim de helft van alle huwelijken tijdens het Ancien Régime zijn een tweede of hoger vervolg-huwelijk, voor minstens een van de huwelijkspartners, vaak van beiden.

We bekijken in meer detail de twee groepen, en hun eerste huwelijken. Verschillen zijn niet spectaculair, maar ze zijn er wel:

  • De bruidegom is meestal ouder dan de bruid.
  • Voor de boskantergemeenschap tellen we 99 eerste huwelijken. De bruidegom is gemiddeld 24.0 jaar bij eerste huwelijk (± 4.1); de bruid 22.0 jaar (± 3.5).
  • Bij de rest van de bevolking (groep “overige”) tellen we 186 eerste huwelijken. De bruidegom is gemiddeld 26.2 jaar (± 4.9); de bruid is 22.9 jaar (± 3.9).
  • De spreiding op deze cijfers komt met een standaardafwijking van 3.5 tot 4.9 jaar.
  • Een statistische analyse toont aan dat de mannen bij eerste huwelijk in de boskantergroep significant jonger huwen dan deze uit de groep “overige” (p < 0.0001).
  • Op de figuren met de spreiding volgens leeftijd zien we bij beide groepen een vage opsplitsing in twee leeftijdsgroepen. De scheve spreiding van huwelijksleeftijden maakt diepere statistische analyse weinig zinvol; daarvoor is de steekproef te klein.
  • Voor de vrouwen is het leeftijdsverschil van één jaar schijnbaar significant verschillend tussen beide groepen (p = 0.048), maar bij slechts een honderdtal metingen is dit statistisch op het randje om echt significant te zijn.
  • Op de figuur met de verdeling volgens leeftijd bij eerste huwelijk zien we dit verschil bij de bruiden beter. De scheve spreiding is echt misleidend bij algemene statistische analyse.
  • Onderling is het verschil tussen beide groepen ook zichtbaar, maar dat komt vooral door het significante leeftijdsverschil bij de mannen.
  • In beide groepen vinden we ook meisjes van 15-16 jaar en jongens van 17-18 jaar die een eerste huwelijk aangaan.

We zouden deze vergelijking kunnen uitbreiden en de totale groep van 1,281 huwelijken vergelijken i.p.v. 625 die we hier bekeken, maar deze willekeurige steekproef is voldoende representatief. De vaststellingen zullen echt niet fundamenteel wijzigen.

De hiervoor besproken dispensaties voor huwelijk wegens bloedverwantschap zijn ook gelijk verdeeld over beide groepen. We vinden ze op twee na allemaal na 1715. De 27 dispensaties vanaf 1715 zijn min of meer gelijkmatig gespreid over de 80 jaar tot 1794.

De beperkte verschillen tussen beide groepen zijn ook makkelijk te verklaren. Gedurende de hele periode van nog geen 150 jaar is er wel degelijk een voortdurende uitwisseling tussen beide groepen. Boeren kunnen door pech in hun bedrijf, of door familiale problemen insolvabel worden. Zo komen ze deels bij de boskantergemeenschap terecht. Het omgekeerde gebeurt ook, door huwelijk van boeren en meiden en zo, maar dat is minder frequent. Op de steekproef zien we dat de boskantergemeenschap op deze 140 jaar gemiddeld ruim een derde van de bevolking vormt. Voor de 17de eeuw was dat veel minder, of bestond deze gemeenschap zelfs nog niet. Het echte percentage neemt toe van zeer laag rond 1700 tot wel 50% rond 1800.

Huwelijken vanaf 1800

Eerst het totale beeld. We bekijken opnieuw de huwelijken, waarbij beide partners niet eerder waren gehuwd. Dit is zo voor 1,895 van de 2,409 huwelijken in de BS 19de eeuw. Het aantal eerste huwelijken is dus gestegen tot bijna 80%. Dit is een spectaculair verschil met de eeuwen ervoor, waar we meer dan 50% vervolg-huwelijken vonden. Een snelle telling leert dat dit percentage vervolghuwelijken afneemt doorheen de 19de eeuw. Deze daling was wellicht al eind 18de eeuw begonnen. Begin 19de eeuw neemt het verder af naar 1 op de 4 huwelijken in de periode tot 1870. Het daalt daarna nog sneller tot ongeveer 1 op de 10 huwelijken begin 20ste eeuw.

We kunnen uit de getabuleerde data voor geboortedatum en huwelijksdatum makkelijk de leeftijd van bruidegom en bruid berekenen.

Huwelijken tijdens de 19de eeuw (1,895 eerste huwelijken van de 2,409 huwelijken). Links: leeftijden van bruid en bruidegom bij alle eerste huwelijken. Rechts: de spreiding voor de jongens en meisjes, volgens leeftijd bij eerste huwelijk om van beide groepen eerste huwelijk.

Wat kunnen we afleiden:

  • Er is geen significant verschil in de spreiding van gegevens tussen de eerste en tweede helft van de 19de eeuw.
  • Er wordt over het algemeen wat later gehuwd dan in de 18de en 17de eeuw
  • Mannen huwen gemiddeld op 27.5 jaar oud (± 6.0); vrouwen op 24.5 jaar (± 5.1). Dat is een significant verschil tussen bruid en bruidegom van 3.0 jaar (± 0.5). Maar let wel: een gemiddelde op deze scheve distributie van data (zie tweede figuur) heeft slechts een beperkte betekenis (zie ook hoger).
  • Het hogere gemiddelde komt vooral door een groep eerste huwelijken dat bij relatief hoge leeftijd wordt afgesloten. We zien 214 eerste huwelijken met een bruid ouder dan 30 jaar; en 441 met een bruidegom ouder dan 30 jaar.
  • Er zijn ook veel eerste huwelijken met erg jonge partners. Bij 214 van de huwelijken is de bruid jonger dan 20 jaar; dat is ook 15 maal zo voor de bruidegom.
  • Een correcter besluit kan zijn: de meeste vrouwen huwen bij een leeftijd van 20 tot 25 jaar, voor de mannen ligt dat bij 21 tot 27 jaar.

Maar dit algemeen beeld verbergt opnieuw wat er werkelijk verschilt tussen de twee groepen die we in het Ancien Régime vergeleken. Enerzijds hebben we weer de groep “overige”, dat is iedereen die niet in de tweede groep zit, met uitzondering van enkele personen met niet-identificeerbare beroepsgroepen. De tweede groep omvat vooral afstammelingen van de boskanters van de 18de eeuw. We noemen deze groep deze keer “leurders enz”, want hun activiteitengebied is intussen fundamenteel veranderd. We identificeren personen binnen elke groep namelijk op basis van hun beroep bij huwelijk. Dat is zo goed als altijd te identificeren in het databestand.

Er is wel een moeilijkheid. De gemeente Klerken had de (slechte) gewoonte leurders, bezemmakers enzovoort meestal als werker/werkman of werkster/werkvrouw te vermelden in hun huwelijksakte. In de eerste helft van de 19de eeuw worden ze ook wel dagloner/werker en dagloonster/werkster genoemd. Naar het einde van de eeuw zijn er uiteindelijk toch nog vermeldingen als leurder, muzikant, orgelspeler, scharenslijper, bezem- en borstelmaker, en zelfs omzwerver. Hier hebben we deze hele groep onder de categorie “leurders enz” geklasseerd. De “overige” groep omvat dus de landbouwers, landslieden en kleine gebruikers, en verder een ruime reeks zelfstandige beroepen, ook de knechten en meiden die bij deze aan de slag waren. Er zitten ook renteniers, gendarmen, een schrijver, een kunstschilder, en zelfs enkele beambten in deze groep.

We maakten drie selecties telkens van de categorie “overige” en van de categorie “leurders enz”. Eerst selecteerden we enkel op het beroep van de bruidegom; dan combineerden we dit met het beroep van de bruid; tenslotte bekeken we ook de huwelijken waarbij enkel de bruid in een van de twee categorieën valt. Dat maakt wel degelijk een verschil:

  • In de categorie “overige” vinden we 610 huwelijken op basis van enkel eerste huwelijk voor de bruidegom, 493 op basis van enkel eerste huwelijk voor de de bruid, en 392 op basis van een eerste huwelijk voor zowel bruid als bruidegom.
  • In de categorie “leurders enz” zijn dat respectievelijk 1,246, 1,374, en 1,156 huwelijken.
  • Er zijn dus ook een honderden huwelijken waar partners uit de twee groepen komen.

Om het eenvoudig en eenduidig te houden kijken we hier verder enkel naar de huwelijken waar zowel bruidegom als bruid in de onderzochte categorie zitten. Voor de groep eerste huwelijken van de groep” leurders enz” bekijken we dus een selectie van 1,156 huwelijken; voor de groep “overige” bekijken we 392 huwelijken. Dat is ruim voldoende voor een betekenisvolle vergelijking. We vinden de volgende leeftijddistributie (op de rechteras de som van alle eerste huwelijken; weergegeven door de gearceerde curve):

  • Op de eerste figuur zie we dat de groep “overige” met landbouwers, en zelfstandigen allerhande, veel later huwen dan de werkers/werksters, uit de groep “leurders enz” (de tweede figuur)
  • In de categorie “overige” zien we zowel voor bruid als bruidegom dat een eerste huwelijk op zowat elke leeftijd tussen 20 en 35 jaar werd afgesloten. In meer dan de helft van de huwelijken is de bruidegom en/of bruid meer dan 30 jaar oud bij eerste huwelijk. Er zijn zelfs 81 eerste huwelijken waar de bruidegom meer dan 35 jaar oud is, en 33 waar dit zo is voor de bruid; ruim een op de vijf huwelijken dus.
  • Voor de categorie “leurders enz” is dit beeld compleet anders. Bruiden zijn meestal 20 tot 24 jaar oud bij hun eerste huwelijk; de bruidegom meestal 22 tot 26 jaar. Slechts bij minder dan 15% van de eerste huwelijken is de bruidegom en/of bruid meer dan 30 jaar, en bij minder dan 5% van de huwelijken ouder dan 35 jaar.
  • Bij de groep “overige” huwen 21 meisjes, en slechts 2 jongens onder de leeftijd van 20 jaar. Dit is hooguit 5% van de eerste huwelijken. Bij de groep “leurders enz” zijn er 165 meisjes die een eerste keer huwen als ze minder dan 20 jaar oud zijn, en ook nog 9 jongens. Hier is dat dus het geval voor ruim 14% van de eerste huwelijken, dus bijna drie keer meer dan in de andere groep!
  • De categorie “leurders enz” omvat in de hele 19de eeuw tot 75% van de eerste huwelijken. Als we daar ook nog de huwelijken bijtellen waarbij bruid of bruidegom ook uit de andere groep kan komen dan loopt dat nog verder op. Met andere woorden: meer dan 80% van de bevolking valt op een of andere manier onder deze categorie, die significant jonger huwt; een gemiddelde voor de periode 1800-1900.

We kunnen nog op een andere manier naar de twee groepen kijken: waar werden bruid en bruidegom geboren? waar woonden ze toen ze huwden?

  • Huwelijken gaan meestal door in de gemeente waar de bruid woont. Dat is hier uiteraard ook het geval. 94-96% van de bruiden is in Klerken geboren, dit is zo voor beide groepen. Dat stijgt tot 96-98% als we ook Esen, Langemark, Merkem, Staden, Woumen en Zarren meetellen, de aanpalende parochies.
  • Bij de groep “overige” woont maar 57% van de mannelijke partners bij huwelijk in Klerken. Dat stijgt tot 86% als we de aanpalende parochies meetellen. Voor de groep “leurders enz” is dat veel hoger: 76 % (95% aanpalende parochies meegeteld).
  • Het verschil wordt spectaculair groter als we kijken waar de overige partners vandaan komen. Bij de groep “leurders enz” hebben we maar 9 andere gemeenten nodig; sommige zijn plaatsen waar een andere leurdersfamilie intussen is gevestigd. Voor de groep overige vinden we naast Klerken en buurtparochies nog 45 andere plaatsen van verblijf. Het verschil is nog belangrijker als we er rekening mee houden dat driemaal minder eerste huwelijken worden gevonden in de groep “overige”.
  • “Leurders enz” huwen dus bij voorkeur met een partner die van iets minder ver komt. Voor de groep overige is het wervingsgebied vele malen groter.
  • De woonplaats van de partner is ook dikwijls de plaats waar het pasgetrouwde stel gaat wonen. Dit is zo voor beide groepen, en op die manier ook de motor achter het in- en uitgaande aantal bewoners binnen elke gemeente.

Dit verschil is nog sterker terug te vinden als we de geboorteplaats van bruid en bruidegom bij hun eerste huwelijk gaan vergelijken.

  • Bij huwelijken binnen de groep “leurders enz” is 87% van de bruiden in Klerken geboren (95% als we de zes andere buurgemeenten meetellen). Bij huwelijken binnen de groep “overige” is dat 65% (89% buurgemeenten inbegrepen). Voor de bruidegom van dienst is dat uiteraard opnieuw veel meer gespreid. Binnen de groep “leurders enz” zijn 69 % van hen in Klerken geboren (95% buurgemeenten inbegrepen). Voor de groep “overige” is dat 41%(77%).
  • In totaal vinden we 69 geboorteplaatsen voor huwelijkspartners uit de groep “leurders enz”, en dat loopt op tot 78 plaatsen voor de groep “overige”.
  • Opnieuw met als extra versterkende factor het feit dat er driemaal meer eerste huwelijken zijn binnen de groep “leurders enz” als in de groep “overige”.

Zien we een verschillende spreiding van familienamen tussen beide groepen?

  • Beide groepen huwelijkspartners zijn ongeveer even groot, met elk ruim 350 verschillende familienamen.
  • 156 familienamen komen in beide groepen voor.
  • De andere 200 familienamen binnen elke groep zijn wel heel verschillend.
  • Let wel: de groep “overige” is ongeveer driemaal kleiner dan de groep “leurders enz”, en telt toch ongeveer evenveel verschillende familienamen
  • Er is dus veel overlap van familienamen tussen beide groepen, wat samen met de overlappende geboorte- en woonplaatsen confirmeert dat voortdurend huwelijken worden gesloten, met een achtergrond van een van de partners in de andere groep.
  • Terzelfdertijd zien we ook steeds een aanvoer van nieuwe familienamen naar de parochie of van huwelijkspartners aan wie een parochiegenoot wordt uitgehuwelijkt. Opnieuw met de opmerking dat dit veel meer speelt in de groep “overige”

De 156 familienamen die in beide groepen voorkomen zijn misschien wel minder spectaculair dan de 27 familienamen die samen 50% vormen van de personen vermeld in de volkstelling van 1815. Nu zijn die 27 familienamen ook allemaal aanwezig in beide groepen, dus deel van de 156 namen die in beide groepen staan. In 1815 vertegenwoordigden ze 22% van personen wonend in het Centrum, 42% van ter Smisse, 63% van Terrest en zelfs 80% van het Hoogkwartier (zie Ignace Debruyne, 1996, Stamboom Debruyne – van Joannes de Bruijne tot Michiel Isidoor Debruyne). Ook toen was de concentratie in de wijken met vooral de groep “leurders enz” significant hoger dan in de groep “overige”. Maar een vergelijkbare detailstudie is nodig om na te gaan hoe gewoon of uitzonderlijk ze zijn bij het beschouwen van alle huwelijken uit de 19de eeuw. Dat valt buiten deze bespreking.

En wat met de kerkelijke dispensaties?

Het is moeilijk om kerkelijke dispensaties uit de PR te koppelen aan de eerste huwelijken uit de BS. De PR geven meestal geen enkele informatie over de leeftijd, en de BS vermeldt het burgerlijk equivalent van kerkelijke dispensatie wegens bloedverwantschap blijkbaar hoogstens voor huwelijken tussen neven en nichten (tweede graad kerkelijk). Controle kan dus enkel door handmatige vergelijking met de gegevens in ons genealogisch basisbestand. Dit is tijdrovend, en brengt niet noodzakelijk veel extra informatie.

Een kleine steekproef toont dat er kerkelijke dispensatie wordt gegeven voor huwelijken binnen beide groepen. We zagen eerder dat dispensaties redelijk gelijkmatig gespreid zijn over de hele periode. We mogen dus in eerste instantie veronderstellen dat ze ook gelijkmatig over beide groepen zijn gespreid, met dus 75-80% bij de groep “leurders enz” en 20-25% bij de groep “overige”.

Wettiging buiten het huwelijk geboren kinderen

Er waren 600 tot 700 buiten het huwelijk geboren kinderen in de periode 1800-1914. Een groot deel hiervan overlijdt jong. Een ander deel gaat verder door het leven met de familienaam van hun moeder. Maar er zijn ook heel wat wettigingen bij het huwelijk voor de BS. Dit kon al van bij de invoering van de registratie bij de BS in 1796. We kunnen het totaalbeeld bekijken, en dan de twee groepen “eerste huwelijken” die we hiervoor hebben gebruikt.

  • De 2,409 huwelijken in de BS beschrijven de wettiging van in totaal 208 voorhuwelijkse kinderen. Bij 156 huwelijken wordt één kind erkend; bij nog 14 huwelijken gaat het om 2 kinderen; bij vier huwelijken worden drie voorhuwelijkse kinderen gewettigd. Eén huwelijk regulariseert zelfs vier voorkinderen.
  • Bij de 392 eerste huwelijken in de groep “overige” wordt 16 maal een kind erkend door de bruidegom. We zien dit dus bij 4% van deze huwelijken.
  • Bij de 1,156 eerste huwelijken in de groep “leurders enz” wordt 121 maal één kind erkend, 12 maal twee kinderen, en driemaal drie kinderen. In totaal gaat het dus om 157 erkende kinderen. Bij 12% van deze eerste huwelijken worden dus één of meer kinderen gewettigd.
  • We zien dus ook nog 19 andere tweede of hogere huwelijken waarbij nog 35 voorhuwelijkse kinderen worden gewettigd.

Echtscheidingen

“Geene” zoals telkenjare in de verzameltabellen staat. In 1909 is er wel een unieke verwijzing naar een scheiding uitgesproken in 1921.

Enkele algemene besluiten om af te ronden

De bevolking van Klerken groeide van 1600 tot begin jaren 1900 exponentieel aan, zij het met veel hindernissen. Bij aanvang rond 1600 was het een quasi lege parochie. Deze groeide tot circa 800 inwoners in 1700, circa 2,000 in 1800, tot ruim 5,000 rond 1900. Bij aanvang van de Grote Oorlog in oktober 1914 werden ze allemaal op de vlucht gedreven, en woonde er vier jaar niemand meer.

In de 17de eeuw zien we dat de groei vooral kwam door inwijking van landbouwers en landbouwknechten en -meiden van buiten de parochie. Eerst waren daar ook heel wat families bij met een Franse familienaam, maar gaandeweg zien we meer families uit het Brugse Vrije of verder, die weer vrijkomende landbouwbedrijven aldus, of via huwelijk, overnemen via pacht of aankoop.

De steeds weerkerende problemen met Franse bezetting, ter plaatse, of van naburige Kasselrijen, en de grensbetwistingen aan het aanpalende Bos van Houthulst, leiden tot grote financiële problemen in de parochie. Dit gaat samen met pieken van oversterfte die alle lagen van de bevolking treffen. Wat eerst een dynamische bevolking was, komt meer en meer in een neerwaartse spiraal terecht.. Meer en meer insolvent geworden families gaan aan de boskant de kern vormen van de bezemmakerij en boskanterij.

Tegen midden 18de eeuw leidt dit tot een open conflict met het het bosbestuur dat opereert vanuit de Kasselrij Ieper, tegen de belangen van het Brugse Vrije, waarbij Klerken hoort. De boskantergemeenschap neemt verder toe: het zijn de boerenknechten en meiden die op eigen of gepacht erf als bijverdienste bezems maken en verkopen met materiaal ontvreemd uit het Vrijbos. Bij aanvang 18de eeuw was deze groep 5, misschien 10% van de bevolking. In 1748 hoorde er al een derde bij. In 1770 is dat al de helft. Bij de Volkstelling van 1815 was dat al twee derden of meer, van een intussen verdubbelde bevolking. In de 19de eeuw veranderde hun businessmodel naar leurderij. Meer mensen uit die groep gingen in de industrie en seizoensarbeid aan de slag, of ze huwden en gingen ergens anders wonen, dicht of ver.

Ziekte, misoogsten, en andere problemen leidden al veel te vaak naar pieken met oversterfte tijdens het Ancien Régime. In de 19de eeuw was dit fenomeen er evengoed, met als ultieme voorbeeld de dramatische sterftecijfers tijdens de grote aardappelcrisis die samenviel met cholera- en tyfusepidemieën in de jaren 1845-57, en de landbouwcrisis van de jaren 1880. In beide periodes gaat dit samen met significant minder geboorten en huwelijken, en zelfs, zij het slechts tijdelijk, een daling van het aantal inwoners.

Kindersterfte tijdens het Ancien Régime was hallucinant hoog, wellicht in de orde van grootte van 20 tot 40%. Dat verbeterde wel langzaamaan, maar pas echt tegen het einde van de 19de eeuw.

Vanaf de 18de eeuw zien we meer huwelijken binnen de parochie met een sterk toenemend aantal onderling tussen de arme bevolking, ook occasioneel met de landbouwersgemeenschap. We zien niet alleen een sterke toename van huwelijken met dispensatie voor bloedverwantschap vanaf 1700. In 1748 is bijna 50% van de bevolking onder te brengen binnen 27 familienamen, of beter binnen 27 familieverbanden. Deze concentratie neemt nog toe tegen 1815, als slechts drie familienamen 15% van de bevolking vormen.

Zo goed als de helft van de huwelijken doorheen de 17de en 18de eeuw zijn vervolghuwelijken. Dat was de meest probate weg naar enige stabiliteit in het leven. Dit aantal kettinghuwelijken blijft ook hoog in de 19de eeuw, maar vermindert toch eerst naar 1 op 4, later naar 1 op 10 huwelijken.

Vanaf de Franse revolutie is er ook een dramatische toename van buiten het huwelijk geboren kinderen, met percentages schommelend van 3% tot 10%, verminderend naar het einde van de 19de eeuw. De leurders- en werkersbevolking zorgde hierbij voor het relatief grootste deel. Van deze kinderen, werd ongeveer 1 op 3 uiteindelijk erkend bij het huwelijk van de ouders; dit was zo in beide bevolkingsgroepen..

Bij de huwelijken doorheen de 19de eeuw zien we een nog grotere nood aan kerkelijke dispensaties wegens bloedverwantschap. Wel blijft het zo dat we hier niet echt over inteelt kunnen spreken. Deze dispensaties zijn beperkt tot 1 op 15 huwelijken, en meestal niet dichter verwant dan derdegraads bloedverwantschap.

Maar uiteindelijk is zo goed als iedereen in de totale bevolking wel ergens aan mekaar verwant. De beperkte variatie van familienamen blijft indicatief voor de nauwe verwevenheid. Deze is wel het grootst bij de boskantergemeenschap die overgaat in een leurders-werkersgemeenschap in de 19de eeuw. Binnen deze groep wordt significant jonger gehuwd dan bij de vier maal kleinere groep met landbouwers, en vrije beroepen. Binnen deze laatste groep werd zelfs vrij laat gehuwd in de 19de eeuw, met bijna een kwart van de gehuwden ouder dan 30 jaar bij hun eerste huwelijk. Zij rekruteerden ook nog partners in een veel breder gebied buiten de gemeente.

Dit alles werd dramatisch onderbroken bij aanvang van de Eerste Wereldoorlog die er voor zorgde dat ruim een derde van de eerdere bevolking niet meer terugkeerde. Klerken werd ook Houthulst en later omgekeerd. Een nieuwe periode.


Geef een reactie