We hebben het manuscript klaar met als titel “Het duistere verleden van het Bos van Houthulst uitgeklaard – Het ontstaan van de boskanterij, de tragedie van het Vrijbos“. Dit verschijnt binnenkort in het tijdschrift Westhoek van de Kring voor geschiedenis en familiekunde in de Vlaamse & Franse Westhoek. Referentie wordt “Westhoek, 41, nr. 2, najaar 2025, 213-276”, met in totaal dus 64 pagina’s met een gedetailleerde analyse van archiefdocumenten uit de 16de tot 18de eeuw.
Als opwarmer alvast de eerste pagina

Het artikel omvat een historische tijdslijn startend midden 16de eeuw en loopt tot de tweede helft van de 18de eeuw. Het beschrijft de Keure van 1609, de Franse inbreng van 1678 tot 1699, en de evolutie naar de Ordonnantie van 1756. Het beheer van het bos wordt in deze toevertrouwd aan de Zaele en Kasselrij van Ieper, en later aan de Maîtrise des Eaux et Forêts van Ieper (huidige dienst Wateren en Bossen). Deze keuze voor bestuur van uit Ieper bepaalt dat de boskanterij aan de noordzijde van het bos ontstaat, in het Brugse Vrije. In deze wettelijke documenten wordt ook bepaald waar en hoe men mocht wonen of bouwen rond het bos.
Bij het ontstaan van de boskanterij vanaf eind 17de eeuw speelt de grens van het bos een sleutelrol. Ons eerder werk met het opstellen van de kaart van Klerken in 1686 kwam hierbij goed van pas. Dit wordt aangevuld met informatie uit Parochierekeningen, Armendisrekeningen, en archiefdocumenten, het Terrier van 1686, belastingrollen (1686, 1719), volkstellingen (1748 en 1815), een lijst met communicanten (1770), en naarmate de tijd vordert ook meer informatie over inbreuken, diefstal uit het bos, en delinquentie. Het beschrijft ook in detail het totale gebrek aan coördinatie van de betrokken besturen met dat van het Brugse Vrije. Kort samengevat deze geschiedenis illustreert het failliet van het Ancien Régime en de erbij behorende maatschappijstructuur en starheid van het systeem. Een groeiende parochie die makkelijk pioniers en andere support kon leveren aan de maatschappij, en waar al vroeg met nieuwe teelten werd geëxperimenteerd, verviel hierbij in toenemende armoede en afhankelijkheid. De afgelegen positie ver van nabije parochies vergemakkelijkte dit nog.

De eerste 70 jaar diende het bos vooral als opbrengst- en jachtdomein onder het Spaanse regime. De erop volgende 35 jaar bezetting van Kasselrij Ieper, en van het bos, door Franse troepen, was zeer turbulent en speelt een sleutelrol in het ontstaan van de boskanterij. Tenslotte volgen 80 jaar Oostenrijkse tijd, waar het bos meer en meer ten prooi viel van de groeiende boskantergemeenschap. Deze evolutie wordt verklaard vanuit de historische feiten, met steeds weerkerende oorlogsperikelen, hongersnoden, en erbij horende oversterfte die van 1681 tot 1708, op 25 jaar tijd, tot viermaal toe 5% van de lokale bevolking treft. Vele parochianen, zelfs welgestelde boeren, kwamen in moeilijke toestanden terecht en vervielen in armoede. Bezemmakerij en houtdiefstal uit het bos was een uitweg die al eeuwenlang het Vrijbos als gemeen goed gebruikte. Ter zelfder tijd kwamen nieuwe pachters de leeggevallen landbouwbedrijven en het parochiebestuur overnemen. Ook dat parochiebestuur kwam in een steeds penibeler financiële positie.
Naast deze factoren zijn twee sleutelmomenten van groot belang voor de vorming en versterking van de groeiende boskantergemeenschap: (1) In 1680-81 werden een twintigtal notabele parochianen van Klerken gegijzeld door de Franse troepen, niet alleen omdat ze de torenhoge oorlogscontributie niet meteen konden betalen, maar ook omdat ze protesteerden tegen annexatie van hun gronden. Dat leidde tot een 20 jaar durend conflict met het externe gezag. (2) Na een lange aanloop met toenemende repressie vanuit het Ieperse beheer van het bos, ontploft de situatie volledig. Midden juli 1758 worden 38 huizen afgebroken in Klerken (Hoogkwartier, Terrest), en in de aanpalende wijken van Zarren (Terrest) en Merkem. Er werden net geen 200 personen op straat gezet, met hele hebben en houden, en hun vee en kleinvee, zonder enige opvang. De parochie was al in financieel slechte doen, en niet in staat hier ook maar iets aan te doen. Ook de overheid uit het Brugse Vrije kon aan dit soort catastrofe niet direct een constructieve oplossing bieden. En het bestuur uit de Maîtrise van Ieper moest inbinden, en viel noodgedwongen terug op de oude manier met vooral controle binnen het bos zelf. Hierna kwam het niet meer goed en groeide de boskanterij en bezemmakerij verder tot begin 19de eeuw.
Al vanaf begin 18de eeuw zien we ook de sterke toename van huwelijken binnen de gemeenschap; tegen begin 19de eeuw was zowat iedereen met iedereen verwant. Dit resulteerde in toenemende druk om verder uit te zwermen. Een groot deel deed dit als boerenknecht of -meid, of als seizoen- of vaste arbeider in de streek, in Noord-Frankrijk of Wallonië. Anderen werden leurder van een breed gamma goederen, scharenslijpers enz, of werden foorkramer, muzikant of zanger, en ook zij zwermden uit over Vlaanderen, België en de buurlanden. Dit alles versnelde vanaf 1830, na privatisering van het bos, en grote investeringen in de ontwikkeling van Klerken, en in de oprichting van kerken in wat later Houthulst en Jonkershove werd.
Het verhaal wordt geïllustreerd met korte intermezzo’s met lokale geschiedenis en hoe bepaalde families hierin evolueren. O.a. mijn voorouders Winocus Debruyne, zijn vader Nicolaus/Dominicq de Bruyne en grootvader Pieter de Brune spelen een rol; maar ook de families Beauprez, Verslype en Carnier, naast vele anderen.
Binnenkort is de volledige tekst te lezen in tijdschrift Westhoek van de Kring voor geschiedenis en familiekunde in de Vlaamse & Franse Westhoek: Westhoek, 41, nr. 2, najaar 2025, 213-276. Veel leesgenot.
